Mangrove vegetation structure dynamics and regeneration

 

Thesis Philosophiae Doctor Scientiarum

 

Farid Dahdouh-GuebaS


Nederlandse vertaling

 

Are the northernmost mangroves of West Africa viable ? - a case study in Banc d’Arguin National Park, Mauritania -

 

Dahdouh-Guebas, F. & N. Koedam.

 

Laboratory of General Botany and Nature Management, Mangrove Management Group, Vrije Universiteit Brussel, Pleinlaan 2, B-1050 Brussels, Belgium.

 

 

Abstract

 

In the Parc National du Banc d’Arguin (PNBA) in Mauritania, the mangroves of the West-African coast reach their northernmost distribution and comprise exclusively Avicennia germinans.  As a biogeographically marginal, monospecific mangal in an area where freshwater availability has decreased over the last decades, concern about the survival of the mangroves, has been expressed.  As yet, a description was lacking and no data regarding the fitness of A. germinans in the PNBA were available.

The mangrove and associated vegetation nearby Cape Timiris (southern border of the PNBA) was mapped in January 1998 and described for the adult, young and juvenile vegetation layer, along the lagoon perimeter of about 4 km.  Physiognomic aspects of the mangroves were compared with those of a mangrove formation on the tidal island of Eizin further North and with those of the northernmost mangrove system, in Iouik.  Three different formations were found (tall trees, wide trees and shrubs) with ‘trees’ as small as 30 cm flowering profusely.  There were no site-related differences in leaf morphological characteristics.  Propagules were available in large numbers but germinated successfully only where protected from the main Sahara wind currents and from the sun.  Experiments to investigate the effects of predation or aridity (air exposure) on germination showed an absence of predator influences and that drought did affect viability of propagules.  Release of propagules at the time of spring tides may favour colonisation of new areas.  Future management plans can consider the collection and broadcasting of fresh propagules, as well as favouring free play of hydrodynamics (incl. flooding breaching of barries) in the system.

Except for inappropriate topographical conditions (mangroves growing in terrestrial locations, with little chance for propagule survival) A. germinans did not show signs of reduced vitality at its biogeographical limit.

 

Keywords : mangrove, Avicennia germinans, physiognomy, regeneration, predation, biogeography, Mauritania.

 

Presented at the Shallow Tropical Waters and Humans Conference, 1-16 April 1999, Naivasha, Kenya, and at the 15th Biennial International Conference of the Estuarine Research Foundation "Where THE River Meets the Sea", 25-30 September 1999, New Orleans, U.S.A.

 

Published in Hydrobiologia 458 : Science and the Sustainable Management of Shallow Tropical Waters.  D. Harper, R. Boar, M. Everard & P. Hickley (eds.), Kluwer Academic Publishers, Dordrecht, The Netherlands: 241-253.

 

Download paper

 


PhD Table of Contents


Farid Dahdouh-Guebas' Mangrove Biocomplexity Homepage

This page is maintained by Farid Dahdouh-Guebas, fdahdouh@vub.ac.be

 


 

Nederlandse vertaling :

 

Zijn de meest noordelijke mangroven van West Afrika leefbaar ? - een case study in het Banc d’Arguin National Park, Mauretanië –.  In het Parc National du Banc d’Arguin (PNBA) in Mauretanië, bereiken de mangroven van de Westafrikaanse kust hun Noordelijke areaalgrens en bestaan uitsluitend uit Avicennia germinans.  Zijnde een biogeografisch marginale, monospecifieke mangrove in een gebied waar de voorziening van zoet water gedurende de laatste decennia is gedaald, ontstond bezorgdheid over de leefbaarheid van de mangroven.  Tot nog toe ontbrak een beschrijving van de mangrove en waren er geen gegevens over de fitness van A. germinans in de PNBA.

De mangrove en ge-associeerde vegetatie nabij Cape Timiris (zuidgrens van de PNBA) werd in kaart gebracht in januari 1998 en beschreven voor de volwassen, de jonge en de juveniele vegetatielaag, langs de 4 km lange omtrek van de lagune.  Fysionomische aspecten van de mangroven werden vergeleken met diegene van een mangroveformatie van het getijde-eiland Eizin verder noordwaarts en met die van het meest noordelijke mangrovesysteem, in Iouik.  Drie verschillende formaties werden gevonden (hoge bomen, brede bomen en struiken) met ‘bomen’ van slechts 30 cm hoog die echter overvloedig bloeien.  Er waren geen site-gekoppelde verschillen in bladkenmerken.  Propagulen waren voorradig in grote getale maar overleefden enkel waar beschermd tegen de voorname windrichtingen van de Sahara and tegen de zon.  Experimenten om de effecten van predatie of ariditeit (blootstelling aan de lucht) op de ontkieming te onderzoeken toonden een afwezigheid van predatorinvloeden en dat droogte de leefbaarheid van de propagulen aantastten.  Val van de propagulen tijdens springtij kan de kolonisatie van nieuwe gebieden in de hand werken.  Toekomstige beheerplannen moeten de inzameling en uitstrooiing van verse propagulen, evenals de vrije loop van de hydrodynamiek (incl. overstroming, breken van barrieres) in het systeem beschouwen.

Behalve ongeschikte topografische condities (mangroven die groeien in terrestrische locaties, met weinig kans op overleving voor de propagulen) toonde A. germinans geen tekenen van een gereduceerde vitaliteit aan zijn biogreografische areaalgrens.