(A)typische ontwikkeling & (speciale) opvoedingssiuaties

Deze onderzoekslijn wordt vanuit verschillende invalshoeken ingevuld.

Een eerste invalshoek onderzoekt de emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen en jongeren in stress- en traumasituaties (kinderen in oorlogssituaties, kindsoldaten, straatkinderen, …). Dit leidde o.a. tot de oprichting van het Centre for Children in Vulnerable Situations (CCVS), een interuniversitaire samenwerking (VUB, UGent en KU Leuven) die zich toelegt op onderzoek naar het psychosociaal welzijn van kinderen en jongeren in situaties van oorlog, geweld, migratie en extreme armoede in het Zuiden, met als doel de uitbouw van de lokale hulpverlening wetenschappelijk te ondersteunen. Er loopt doctoraatsonderzoek naar de opvang en re-integratie van gewezen kindsoldaten in Oeganda, Kongo en Nepal, kinderen betrokken in gewapende groepen in Colombia, kinderen en families in situaties van migratie en armoede in stedelijke buitenwijken in Bolivia en kinderen en families in gewapende conflicten in Palestina. Binnen dit onderzoeksdomein wordt samengewerkt met universiteiten in de betrokken landen.

Een tweede invalshoek betreft onderzoek naar de vroegtijdige opvoeding en ouder-kind interactie met onder meer specifieke aandacht voor kinderen met een visuele, auditieve of ontwikkelingsstoornis.Dit onderzoeksdomein bouwt verder op vroeger onderzoek waarbij een audiovisuele onderzoeksmethodologie werd ontwikkeld met als doel de plausibiliteit te onderzoeken van de intersubjectieve ontwikkelingstheorie van de eerste levensjaren. Momenteel loopt er onderzoek naar het belang van tonale synchroniciteit tijdens de eerste levensjaren en een longitudinaal onderzoek naar de intersubjectieve ontwikkeling en taalverwerving bij jonge dove kinderen met een cochleair implantaat. Het onderzoek gebeurt in internationale samenwerking met verschillende universiteiten.

Een derde invalshoek betreft het onderzoek naar jeugdhulpverlening. Het gaat over onderzoek naar de effectiviteit en de indicatie van verschillende interventies in de jeugdhulp (pleegzorg, Crisishulp aan Huis, thuisbegeleiding, …), het (mis)gebruik van middelen, de incidentie van kindermishandeling en geweld, …. In België bestaat een zeer beperkte traditie inzake onderzoek naar de effectiviteit van de verschillende interventies. Dit onderzoek resulteert dan ook in een sterke nationale erkenning. De onderzoekers worden dan ook door verschillende (Vlaamse) overheden en voorzieningen uitgenodigd om op te treden als expert. Ook internationaal bestaat er erkenning. Zo zijn leden van de vakgroep lid van een Nederlands-Vlaamse onderzoekgroep in pleegzorg. Ze zijn tevens gevraagd om partner te worden van een Europese projectgroep rond het thema: Decision-making in cases of alleged child maltreatment in early childhood: the magnifying glass on real experiences and practical knowledge. Sinds 2003 participeert de vakgroep aan het European School survey Project on Alcohol and other Drugs – ESPAD, een 4-jaarlijkse bevraging bij 15-16 jarigen betreffende genotmiddelen in ongeveer 40 Europese landen met als doel vergelijkbare gegevens en trends te onderzoeken. In 2007 en 2011 werd parallel VLASPAD uitgevoerd, een uitbreiding van de bevraging naar de volledige Vlaamse secundair onderwijspopulatie. Een samenwerkingsprotocol met HBSC (UGent) en VAD leerlingenbevraging zorgt voor de nodige afstemming met andere Vlaamse epidemiologische onderzoeken inzake genotmiddelengebruik bij adolescenten. De resultaten van deze onderzoeken kunnen gebruikt worden voor de monitoring van de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen voor de periode 2007.

Een vierde invalshoek wil het onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen geboren via artificiële reproductieve technieken (ART) op de sporen houden. Sinds 1988 werden verschillende onderzoeksprojecten (EU, Bertarelli Foundation, FWO, OZR) afgewerkt die geleid hebben tot meerdere doctoraten en publicaties in zeer hoog gerankte tijdschriften. Momenteel loopt een doctoraatsonderzoek in de psychologie aangaande ‘Preimplantation Genetic Diagnosis and its influence on children and their parents’. Dit onderzoek wordt uitgevoerd binnen het Centrum voor Medische Genetica, UZ Brussel (diensthoofd M. Bonduelle). Dr. J. Nekkebroeck, klinisch psycholoog verbonden aan de Centra voor Reproductieve Geneeskunde en Medische Genetica, is in het UZ Brussel aangesteld als wetenschappelijk coördinator van de psychologische luiken van de studies omtrent de medische en psychologische aspecten van geassisteerde reproductie en follow-up onderzoek van kinderen geboren na ART, in het bijzonder


©2006 • Vrije Universiteit Brussel • Pleinlaan 2 • 1050 Elsene • Tel.: 02/629.21.11 • info@vub.ac.be