Fase 4: de redactie van de wetenschappelijke paper

Een wetenschappelijke paper bevat een duidelijke en logische structuur. Een hulpmiddel hierbij is het opstellen van een werkplan of werkschema.

1. Het werkplan

1.1. Inleiding

  1. Je gaat uit van een concrete vaststelling / gangbare opvatting uit de maatschappelijke realiteit (o.a. de actualiteit):
    Voorbeeld: In onze consumptiemaatschappij kan men zich moeilijk van de indruk ontdoen dat vrouwen telkens weer op een stereotiepe wijze worden afgebeeld in reclame: de knappe, slanke en langbenige sexy vrouw.


  2. Vanuit deze vaststelling formuleer je een concrete vraagstelling of probleemstelling en een aantal onderzoeksvragen (deelvragen):
    Voorbeeld: Wat zouden en kunnen de effecten zijn van dergelijke stereotiepe beeldvorming op het zelfbeeld van jonge vrouwen?
  3. Indien je dat wenst en opportuun vindt, formuleer je één of meerdere hypothese(n) m.b.t. je vraagstelling:
    Voorbeeld: De stereotypering van de vrouw in reclame werkt de toename van eetstoornissen in de hand.

  4. Waarom is dit onderzoek maatschappelijk en wetenschappelijk relevant? Elk onderzoek, dus ook jouw paper, wordt opgestart vanuit een specifieke doelstelling. Het doel van je onderzoek kan maatschappelijk en/of wetenschappelijk zijn. Wat wil je uiteindelijk bereiken met je onderzoek, waarom denk je dat het relevant is en hoe zou het relevant kunnen zijn?
    Voorbeeld: In psychologische kringen is de alarmbel geluid omtrent de impact van media op de toenemende eetstoornissen van jonge meisjes, wat de behandeling van dit onderwerp maatschappelijk relevant maakt. Je kan met je paper deze discussie nuanceren of juist aanzwengelen.

1.2. Voorlopige inhoudsopgave

  • De voorlopige inhoudsopgave fungeert als houvast.
  • Je streeft ernaar voor ieder hoofdstuk(je) kort uit te stippelen wat je wil vertellen (a.d.h.v. trefwoorden, kernzinnen), wat je wil gaan doen.
  • Een goede inhoudsopgave is onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen. Terwijl je aan het lezen bent, vul je de inhoudsopgave aan door bij elke paragraaf auteurs en bevindingen te vermelden die kunnen worden gebruikt in desbetreffende paragraaf.
  • Deze inhoudsopgave kan bijgestuurd worden en is dus niet defintief.

2. De redactie van de paper: een logische opbouw

Een logisch opgebouwde paper heeft een duidelijke structuur met de volgende onderdelen:

  • Titelblad:

Naam, richting, academiejaar, titel oefening of werkcollege, titel van de zelf gekozen probleemstelling, naam van de verantwoordelijke professoren en assistent(e)(n).

  • Inhoudsopgave:

Zorg ervoor dat de inhoudslijst redelijk gedetailleerd is zodat je blijk geeft van een duidelijke structuur in je hoofd en de lezer reeds vanaf het begin weet welke aspecten er aan bod zullen komen in de paper. Vergeet in de inhoudsopgave de paginering niet aan te brengen.

  • Inleiding:

Een goede inleiding gidst de lezer doorheen de paper en kan beschouwd worden als een toelichting bij de inhoudsopgave. In een inleiding kondig je aan wat aan bod komt in de paper. Wek bij de lezer geen verwachtingen die je niet kan inlossen. In een inleiding stel je alleen datgene in het vooruitzicht wat ook werkelijk in de paper zal komen te staan. Volgende aspecten dienen in de inleiding aan bod te komen:

  1. Welke probleemstelling en onderzoeksvragen (deelvragen) staan centraal? Om jouw problematiek te situeren verwijs je naar een gebeurtenis uit de actualiteit of naar een concrete vaststelling uit de maatschappelijke realiteit. Indien nodig, licht je de probleemstelling en onderzoeksvragen toe. Een duidelijke probleemstelling is zeer belangrijk, gezien deze fungeert als ‘kapstok’ waarrond de hele paper is opgebouwd.
  2. Wat is de maatschappelijke én wetenschappelijke relevantie van het onderzoek?
  3. Hoe ga je te werk? Dus, wat is de gebruikte methodologie?
  4. Welke wetenschappelijke auteurs / stromingen zijn richtinggevend voor het onderzoek?
  5. Structuur? Een inleiding moet je opvatten als een samengevatte ‘uitgeschreven inhoudslijst’. Uit de inleiding moet reeds blijken wat de structuur van de paper zal zijn (dus bijvoorbeeld dat er een theoretisch en een empirisch deel is opgenomen)
  • Theoretisch kader:

In het theoretisch kader van je paper bundel je verschillende uiteenlopende theoretische inzichten / visies op jouw onderwerp / probleemstelling samen.

Inhoudelijke tips bij het schrijven:

  1. Je schrijft op een confronterende wijze, niet op een opsommende manier. Geen aaneenrijging van parafrases dus, maar een kritisch toetsen van de verschillende inzichten, steeds in functie van je probleemstelling. Je geeft aan op welke punten ze van elkaar verschillen, op welke punten ze mekaar aanvullen. Schrijf gericht, zonder uit te wijden over bijzaken. Aan het einde van je literatuurstudie vat je de voornaamste conclusies samen in een kort besluit.
  2. In de inhoudelijke structuur van het theoretisch kader moet de probleemstelling als een rode draad doorheen je betoog lopen. De probleemstelling is de kapstok van je tekst – stuurt m.a.w. de tekst – waaraan alle hoofdstukken en paragrafen kunnen worden opgehangen. Eerst was er de probleemstelling, dan de tekst, en niet omgekeerd, hoewel dit laatste een veel voorkomende fout is. Een wetenschappelijke paper is geen staaltje van 'knutsel- en plakwerk': alleen in functie van de vraagstelling worden relevante ideeën, die bijdragen tot de ontwikkeling van je betoog en argumentatie, met elkaar in verband gebracht. Alleen zo is je tekst samenhangend. Dit geldt trouwens niet alleen voor het theoretische deel van je paper, maar eveneens voor het empirische deel.
  3. Vertrek van algemene inzichten betreffende je problematiek / onderwerp (vb. effect reclame) en ga zo verder naar specifieke inzichten inzake je probleemstelling (vb. effect reclame op kinderen) en niet vice versa.

Vormelijke tips bij het schrijven:

  1. Het theoretisch kader wordt onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen. In iedere paragraaf vindt men telkens een nieuw gegeven. Dit kan bijvoorbeeld een nieuw idee zijn, of een illustratie van een voorgaand idee. Een paragraaf kan ook als overgang fungeren. Tussen de verschillende paragrafen moet een samenhang bestaan. Elke paragraaf is gelinkt aan de volgende, waarbij geen onverwachte sprongen worden gemaakt.
  2. Door middel van tussentitels geef je duidelijk de opbouw van je betoog weer.
  • Empirisch onderzoek

    In je empirisch onderzoek bundel je je onderzoeksresultaten samen.

    Inhoudelijke tips bij het schrijven:

    1. Net zoals bij het theoretisch kader schrijf je confonterend en niet op een opsommende manier. Je geeft blijk van een kritische analyse van de onderzoeksresultaten en geeft deze duidelijk en to-the-point weer zonder hierbij in te boeten aan inhoudelijke kwaliteit.
    2. Je empirisch onderzoek beoogt een antwoord op je probleemstelling en onderzoeksvragen. De probleemstelling vormt dan ook – net zoals bij het theoretisch kader – de ‘kapstok’ van het onderzoek waaraan alle hoofdstukken en paragrafen kunnen worden opgehangen. Wees hierbij zeer gericht en wijk zeker niet onnodig af van de probleemstelling en de onderzoeksvragen, maar zie wel dat je alle relevante aspecten van de probleemstelling en een eventuele contextualisering ervan behandelt.
    3. Zorg er ook voor dat de verschillende inhoudelijke delen – al naargelang de verschillende onderzoeksvragen – met elkaar gelinkt zijn en vermijd het van de hak op de tak springen.
    4. Vertrek van algemene inzichten (vb. algemeen mediagebruik bij allochtonen) en ga stap voor stap verder naar de antwoorden op specifiekere vragen (vb. televisiegebruik bij allochtonen) en niet vice versa.
    5. Vermijd contradicties: als je een bepaalde overtuiging aantoont en verdedigt, spreek jezelf even verder dan niet tegen.

Vormelijke tips bij het schrijven:

Zie vormelijke tips theoretisch kader.

  • Conclusie
De conclusie vormt het sluitstuk van je onderzoek en van je paper. Breng dan ook geen nieuwe elementen meer aan! In de conclusie verbind je de verschillende delen van je paper en maak je de balans op van je onderzoek. Volgende aspecten dienen in de conclusie aan bod te komen.

  1. Je synthetiseert kort wat je hebt onderzocht en op welke wijze en formuleert vervolgens uitvoeriger de bevindingen die jouw onderzoek heeft opgeleverd. M.a.w. je beantwoordt de vragen die je bij de oorsprong van het onderzoeksproces (de inleiding van je paper) hebt gesteld en geeft een duidelijk antwoord op je probleemstelling.
  2. Tevens koppel je de resultaten die jouw onderzoek hebben opgeleverd terug aan de (theoretische/methodologische) bespreking die je voorafgaand hebt gemaakt. In concreto plaats je aldus jouw resultaten binnen het theoretische veld en geef je aan welke inzichten door jouw onderzoek bevestigd, weerlegd, genuanceerd, ondersteund, aangepast, … kunnen worden.
  3. Je kan bovendien aangeven welke pistes interessant zijn voor andere onderzoekers om te onderzoeken. Aldus trek je de problematiek terug open voor verder onderzoek.
  4. Ten slotte laat de conclusie toe je eigen onderzoek te evalueren. Je geeft aan welke vragen je niet kon beantwoorden en waarom; welke fouten je maakte; of de probleemstelling toereikend was; hoe je bepaalde problemen nu anders zou aanpakken; of je andere theoretische of methodologische keuzes zou maken; etc.
  • Bibliografie

Rangschik de (eerder in voetnoten) geraadpleegde auteurs alfabetisch. Een paper is slechts wetenschappelijk verantwoord wanneer er een volledige en juiste bibliografie wordt toegevoegd (zie verder). Dit betekent volledige en juiste bibliografische referenties. Deze bibliografie moet de lezer in staat stellen op het verrichte onderzoek verder te bouwen, de geconsulteerde bronnen zelf op te zoeken en na te gaan of er een nauwkeurig en accuraat gebruik van werd gemaakt.

  • Bijlage

Cijfermateriaal, tabellen, etc., dienen in de paper na de bibliografie te zitten. Hier wordt in de tekst naar verwezen door middel van de afkortingen fig.1, 2, .. (figuur), tab.1, 2,... (tabel), etc. Wees hierin wel consequent: als je éénmaal ‘fig.’ gebruikt, kan dit de volgende keer niet door ‘tab.’ worden vervangen. Uiteraard neem je enkel bijlagen achteraan op als je deze daadwerkelijk voor de behandeling van de probleemstelling nodig hebt! Om overzichtelijk te werken, laat je de bijlagen best voorafgaan door een ‘lijst van bijlagen’. In het geval interviews worden afgenomen, vermeld je in bijlage ook naam en adres van de geïnterviewde persoon en de datum van het interview. Indien het om kwalitatieve diepte-interviews gaat, neem je de interviews zelf integraal op in de bijlage.

3. Tips bij de redactie van de wetenschappelijke paper

Schrijven mag dan vaak een kwestie van talent zijn, door veel te oefenen, leert men ook schrijven. Er bestaan jammer genoeg geen sluitende regels en wetten om te schrijven, alleen maar richtinggevende tips:

  • Schrijf niet nodeloos moeilijk of ingewikkeld: eenvoud siert.
  • Schrijf to-the-point.
  • Maak je zinnen niet te lang. Vermijd een teveel aan bijzinnen.
  • Schrijf correct: respecteer grammaticale en spellingsregels (zoals dt-regels). Indien je deze regels niet naleeft, dan zal dit punten kosten.
  • Vermijd 'anglicismen': letterlijke vertalingen uit het Engels klinken vaak gekunsteld.
  • Schrijf niet opsommend, maar confronterend.
  • Gebruik bij voorkeur niet de eerste persoon enkelvoud ('ik-vorm'), maar de ‘we-vorm’.
  • Vermijd zoveel mogelijk het gebruik van ‘men’.
  • Giet de tekst in een sobere, functionele lay-out.
  • Maak gebruik van hoofdstukken, paragrafen en tussentitels (met nummering) met het oog op een duidelijke en onmiddellijk zichtbare structuur.
  • Pagineer de tekst.
  • Tracht de tekst uit te lijnen.
  • Maak de tekst niet onleesbaar door een klein lettertype met een kleine interlinie te combineren.
  • Volg strikt de instructie inzake het refereren naar je bronnen.

4. Het bibliografisch apparaat: bibliografische verwijzingen

Een wetenschappelijke paper impliceert een bibliografisch apparaat. Indien je in je paper geen gebruik maakt van bibliografische verwijzingen, dan zal deze niet aanvaard worden. Ook indien je niet op een wetenschappelijk verantwoorde manier refereert, dan zal dit consequenties hebben voor de evaluatie en de quotering van je paper. Hieronder vind je meer informatie over de richtlijnen inzake bibliografische verwijzingen.

4.1. Hoe verwijzen naar je informatiebronnen?

Als in de tekst naar de meningen van andere auteurs wordt verwezen, wordt uiteraard de bron altijd vermeld. Hier zijn drie mogelijkheden:

  • Met voetnoten (Europese referentiesysteem): onderaan de pagina noteer je de naam van de auteur, titel, plaats van uitgave, uitgever, jaar van uitgave en pagina.
  • Met eindnoten (Europese referentiesysteem): op het einde van een hoofdstuk of een korte paper vermeld je de naam van de auteur, titel, plaats van uitgave, uitgever, jaar van uitgave en pagina.
  • Volgens de Amerikaanse referentiewijze: auteur, jaar en pagina worden tussen haakjes gezet achter de overgenomen bewering.

Opgelet!:

  • Hoe je ook verwijst naar bronnen, doe het consequent volgens één referentiemethode.
  • Hou er rekening mee dat het van de professor/assistent kan afhangen welk van de systemen de voorkeur geniet. In de taakopgave wordt duidelijk gemaakt wat de verwachtingen zijn omtrent referenties.

Nota Bene:

In de verschillende systemen kunnen voetnoten ook gebruikt worden om een korte uitleg bij een begrip, een concept of een auteur te geven. Door het gebruik van voetnoten vermijdt men dat de eigenlijke tekst overladen zou zijn. Beperk in dit geval echter het gebruik van voetnoten tot het strikt noodzakelijke. Essentiële zaken komen hoe dan ook in de tekst zelf.

4.2. Wanneer verwijzen naar bronnen?

Je verwijst altijd naar je bron als je andere auteurs aanhaalt. Je kan ideeën van auteurs parafraseren of in eigen woorden weergeven. Je kan ook andere auteurs letterlijk overnemen. In dat geval citeer je hun woorden.

4.2.1. Parafraseren

Als je in eigen woorden het idee van een auteur hebt weergegeven, sluit je de paragraaf af met een voetnoot, een eindnoot of vermeld je op het einde van de paragraaf tussen haakjes de bron.

4.2.2. Citeren

Als meningen van andere auteurs letterlijk worden overgenomen, is er sprake van citeren.

  • Waarom citeren?
    1. Citeren om er daarna je eigen interpretatie aan te geven
    2. Citeren om je eigen interpretatie te ondersteunen.
  • Regels m.b.t. het citeren
      • Citaten moeten je betoog versterken of bevestigen op een gezaghebbende wijze: vermijd onnodige, weinig originele citaten. Het is onnodig de hulp van een autoriteit in te roepen om iets voor de hand liggends, triviaals aan te tonen. Overdrijf ook niet met het gebruik van citaten.
      • Uit elk citaat moet duidelijk blijken wie de auteur is en uit welke publicatie (titel + jaar) en op welke pagina het citaat werd ontleend.
      • Een citaat dat niet langer is dan 2 of 3 regels kan binnen de gewone tekst tussen aanhalingstekens worden opgenomen. Is het citaat wel langer, laat het dan inspringen en gebruik een kleinere interlinie.
      • Een citaat is een getrouwe weergave van de oorspronkelijke tekst (zowel typografisch als inhoudelijk). Je mag geen delen van de tekst weglaten zonder dat aan te geven (met name d.m.v. drie puntjes tussen vierkante haakjes). Als je zelf delen van de tekst onderlijnt of in vet zet, moet je dat aangeven.
      • Een citaat moet exact en nauwkeurig zijn en moet door iedereen gecontroleerd kunnen worden.
      • Een citaat wordt steeds duidelijk aangegeven door het gebruik van een cursief lettertype, in de marge in te springen (bij langere citaten) en door aanhalingstekens te plaatsen. Vergeet nooit de exacte referentie bij het citaat te plaatsen, zoniet verliest het citaat iedere waarde en relevantie.

4.3. Plagiaat!

Telkens je een auteur gebruikt, refereer je. Dit geldt zowel voor gedrukte als elektronische literatuur en zowel voor wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke literatuur. Als je een idee van een auteur in eigen woorden weergeeft, maar pretendeert dat ze jouw idee is, is dit immers intellectueel oneerlijk.

  • Als je passages van een auteur citeert of parafraseert, zonder naar zijn/haar werk te verwijzen, pleeg je dan ook plagiaat.
  • Plagiaat kan echter ook in andere vormen voorkomen. Wanneer je – zelfs met referentie naar het originele werk – letterlijk of bijna letterlijk (door hier en daar een aantal andere woorden weg te laten) de woorden, zinnen, logica in opbouw of structuur van iemand anders gebruikt en dit voorstelt als jouw eigen interpretatie (parafrase), logica of structuur, dan begeef je je op glad ijs en is een beoordeling op onwetenschappelijkheid of erger nooit veraf.

Plagiaat betekent dus dat je de eer opstrijkt voor werk dat iemand anders gedaan heeft. Dat is vanuit wetenschappelijk oogpunt onaanvaardbaar. Er staan dan ook zware straffen op het plegen van plagiaat, gaande van 0/20 op de paper tot uitsluiting van het werkcollege, de oefening of het opleidingsonderdeel. Je neemt dus nooit dingen ‘gewoon over’: je zet stééds alles om in je eigen woorden en verwijst hierbij naar de auteur!

Nota Bene:
Als je tabellen, grafieken en illustraties gebruikt in je paper, dan dienen deze ook voorzien te worden van een bronvermelding met daarbij een titel en een legende. Zorg ervoor dat grafieken leesbaar zijn. Pas dus op met kopieën.

4.4. Bibliografie

Een bibliografie is onontbeerlijk. Het bevat de volledige titelbeschrijvingen van het geraadpleegde materiaal, alfabetisch gerangschikt op naam van auteur. Indien je twee werken van dezelfde auteur gebruikt die tevens in hetzelfde jaar verschenen zijn, dan kan je een onderscheid hiertussen maken door bij het jaar a, b, …. (1990a, 1990b) te plaatsen. Publicaties die niet gebruikt werden voor de opdracht, worden uiteraard niet opgenomen in de bibliografie.

4.5. Bibliografische verwijzingen en voetnoten

4.5.1. Voorafgaande opmerkingen: verschil tussen voetnoten en bibliografie

In de voetnoten vermeld je enkel de pagina’s waar je je informatie uithaalt. In de bibliografie, die de paper afsluit, geef je alfabetisch alle referenties weer, die eerder in de voetnoten stonden. In de bibliografie wordt – in tegenstelling tot in de voetnoten – het volledig aantal pagina’s van het boek of artikel weergegeven.

Voorbeeld voor een monografie:

  • Referentie in de voetnoten:
    MCQUAIL (D.). Mass Communication Theory. London, Sage, 1994, pp. 4-5.
  • Referentie in de bibliografie:
    MCQUAIL (D.). Mass Communication Theory. London, Sage, 1994, 416 p.

4.5.2. Richtlijnen referenties in voetnoten (Europese systeem)

In 1ste jaar bachelor wordt in de opdrachten voor het Werkcollege media en communicatiewetenschappen het Europese systeem geprefereerd (voetnoten onderaan elke bladzijde). De onderstaande voorbeelden illustreren dit Europese systeem van refereren.

  • Monografieën

NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel boek. Plaats van uitgave, uitgever, jaar, pp.x-y.
Voorbeeld: MCQUAIL (D.). Mass Communication Theory. London, Sage, 1994, pp. 4-5.

  • Artikels uit tijdschriften

NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel artikel. In: Titel tijdschrift, jaar, jaargang (jg.) of volumenummer (vol.), nummer (nr.), pp. x-y.
Voorbeeld: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p. 17.

  • Artikels uit verzamelwerken

NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel artikel. In: NAAM EDITOR(S) (INITIALEN VOORNAAM) (ed.(s)). Titel verzamelwerk. Plaats van uitgave, uitgever, jaar, pp. x-y.
Voorbeeld: MURDOCH (G.), GOLDING (P.). Capitalism, communication and class relations. In: CURRAN (J.), GUREVITCH (M.), WOOLLACOTT (J.) (eds). Mass communication and society. London, Edward Arnold, 1977, pp. 37-38.

  • Krantenartikels

NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel artikel. In: Titel krant, datum van artikel, pp.x-y.
Voorbeeld: DELTOUR (P.). Concentratievorming in Vlaanderen toegenomen. In: De Standaard, 16 november 1995, p.7.

  • Informatie op het internet

Zowel e-mails als informatie gevonden op het internet (www) worden afgedrukt en in de bijlagen opgenomen.

  • E-mails

NAAM AFZENDER ((INITIALEN VOORNAAM) (e-mail adres). Titel van e-mail, datum van verzending, zie bijlagen: pp. x-y.
Voorbeeld: MURDOCH (R.) (murdoch@newscorp.com.au). I am a media mogul, 3 januari 1997, zie bijlagen: pp. x-y.

  • Websites

Internet kan als een onuitputtelijke bron van informatie gezien worden. De studenten worden daarom ook aangemoedigd om naast de gebruikelijke literatuurstudie ook informatie te verzamelen op het internet (meestal via WWW). Doch ook hier gelden enkele bibliografische regels:

  1. URL's die als bron van informatie gediend hebben moeten steeds in de voetnoten vermeld worden (niet in de tekst/maakt het moeilijk leesbaar). Algemene vermeldingen (homepages) zoals http://www.demorgen.be of http://www.oxford.ac.uk zijn onvoldoende. Deze URL moet daarbij vergezeld zijn van een titelbeschrijving – volgens de richtlijnen inzake refereren – van de publicatie op het web.
  2. Bovendien moet er in de bijlagen van de taak steeds een outprint van ten minste de eerste bladzijde van de site waarnaar verwezen wordt bijgevoegd worden met daarop de vermelde URL. Het automatisch (in de header of footer) vermelden van de URL bij het uitprinten van een webpagina is steeds eenvoudig in te stellen bij de page setup preferences in het gebruikte browserprogramma. Vraag desnoods raad aan de verantwoordelijke van de computerzalen. Let op: er wordt hier een outprint van de exacte WWW-pagina gevraagd waarnaar verwezen wordt en dus niet van de homepage van de site. Ook wordt aan de studenten gevraagd om de volledige outprints of de files op diskette zelf te bewaren, zodat die later eventueel opgevraagd kunnen worden.

Een publicatie op het internet vereist volgende wijze van refereren:

  • Referentie van publicatie op het internet zelf (zie bovenstaande richtlijnen voor monografieën, artikels, krantenartikels, etc.)
  • http://site-adres (referentie van site waar informatie gevonden werd), zie bijlagen: pp. x-y.
  • Datum van raadpleging site
    Voorbeeld:
    GREEN (T.), MAIN (N.) & AITKEN-SMITH (J.). Can interactive digital television bridge the ‘digital divide’?
    http://www.dcs.napier.ac.uk/~mm/socbytes/jun2001/Jun2001_12.htm, zie bijlage: p. 35.
    Datum van raadpleging: 23 november 2004
  • Interviews

Interviews of verslagen van interviews worden uitgeschreven en in de bijlagen opgenomen.

NAAM GEÏNTERVIEWDE (INITIALEN VOORNAAM), datum van interview, zie bijlagen: pp. x-y.
Voorbeeld: LENTZEN (E.), 16 december 1996, zie bijlagen: p. 37.

  • Andere documenten

Overheidsdocumenten, bedrijfsverslagen, marktdata,… worden gekopieerd en in de bijlagen opgenomen.

NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel publicatie. Plaats van uitgave, uitgevende organisatie, jaar, zie bijlagen: pp. x-y.
Voorbeeld: CANADEES MINISTERIE VAN COMMUNICATIE. Concentration in Canada. Ottawa, Ministerie van Communicatie, 1987, zie bijlagen: p. 28.

4.5.3. Specifieke situatie Amerikaanse systeem van refereren

Bovenstaande uiteenzetting verduidelijkt hoe je dient te refereren in voetnoten en in een bibliografie. Maar zoals reeds vermeld, mag je ook gebruik maken van het Amerikaanse referentiesysteem waarbij de referenties in de tekst zelf worden verwerkt. Hierbij ga je als volgt te werk:

  • Wanneer je de auteur(s) vernoemt in je tekst wordt de voetnoot als volgt weergegeven: “McRobbie (1989: 27) stelt dat…”.
  • Plaats je een voetnoot zonder de auteur in de tekst zelf te vermelden, dan ziet de voetnoot er als volgt uit: “Sommigen spreken van een nieuwe sociale ongelijkheid op basis van levensstijl (Delhaye, 1991: 552)”
  • Indien meer dan twee auteurs het gebruikte werk hebben geschreven, refereer je naar het werk door de eerste auteur te vermelden, gevolgd door ‘et.al.’, bijvoorbeeld “Adorno et. al. (1944: 179) stellen dat…”.

4.5.4. Onvolledige referenties

Hieronder vind je meer informatie over wat te doen indien één van de gegevens voor de referentie ontbreken. De voorbeelden zijn toegepast op een overheidsdocument (andere documenten) en meer specifiek op voetnoten. Maar dezelfde regels gelden ook voor het Amerikaanse systeem en een biliografie.

  • Als de naam van de auteur ontbreekt in een referentie, gebruik je in de plaats N.N. (‘nomen nihil’/‘no name’).

Voorbeeld: N.N. Concentration in Canada. Ottawa, Ministerie van Communicatie, 1987, zie bijlagen: p. 28.

  • Als de plaats van uitgave ontbreekt, gebruik je in de plaats s.l. (‘sine loco’).

Voorbeeld: CANADEES MINISTERIE VAN COMMUNICATIE. Concentration in Canada. S.l., Ministerie van Communicatie, 1987, zie bijlagen: p. 28.

  • Als de uitgever ontbreekt, gebruik je in de plaats s.e. (‘sine editore’).

Voorbeeld: CANADEES MINISTERIE VAN COMMUNICATIE. Concentration in Canada. Ottawa, s.e., 1987, zie bijlagen: p. 28.

  • Als de datum ontbreekt, gebruik je in de plaats s.d. (‘sine dato’).

Voorbeeld: CANADEES MINISTERIE VAN COMMUNICATIE. Concentration in Canada. Ottawa, Ministerie van Communicatie, s.d., zie bijlagen: p. 28.

4.5.5. Overige regels voetnoten

  • Verschil tussen p. en pp.

Als je in een voetnoot naar één pagina verwijst, doe je dit door middel van p. Gebruik je evenwel meerdere pagina’s uit een artikel of boek, gebruik je de notatie pp.

Voorbeeld 1: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p. 17.
--> hier wordt enkel naar pagina 17 verwezen

Voorbeeld 2: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, pp. 17-23.
--> hier wordt naar pagina’s 17 tot en met 23 verwezen

Voorbeeld 3: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, pp. 17, 19
--> hier wordt naar pagina’s 17 en 19 verwezen

  • Meermaals verwijzen naar een zelfde werk in voetnoten
    • Als je in een volgende voetnoot naar exact hetzelfde werk wil verwijzen als in de voetnoot die er juist voor staat, maar naar een andere pagina, kan je de notatie ‘idem’ gebruiken

    Voorbeeld:
    Voetnoot 1: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p.17.
    Voetnoot 2: IDEM, p. 18.

    • Als je in een volgende voetnoot naar exact hetzelfde werk wil verwijzen als in de voetnoot die er juist voor staat én naar dezelfde pagina, kan je de notatie ‘ibidem’ gebruiken.

    Voorbeeld:
    Voetnoot 1: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p.17.
    Voetnoot 2: IBIDEM.

    • Als je in een voetnoot wil verwijzen naar een werk waarnaar reeds eerder werd gerefereerd en dit eerste werk staat niet juist voor deze voetnoot, kan je de notatie ‘Op. Cit.’ (cursief en met hoofdletters!) gebruiken. Let er ook op dat je het jaar vermeldt van het werk, om zo duidelijk twee of meer werken van eenzelfde auteur te onderscheiden. Indien je twee werken van dezelfde auteur gebruikt die tevens in hetzelfde jaar verschenen zijn, dan kan je een onderscheid hiertussen maken door bij het jaar a, b, …. (1990a, 1990b) te plaatsen. In de bibliografie doe je dit ook, zodat de lezer op die wijze de volledige referentie snel kan terugvinden.

    Voorbeeld:
    Voetnoot 1: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p. 17.
    Voetnoot 2: MURDOCH (G.), GOLDING (P.). Capitalism, communication and class relations. In: CURRAN (J.), GUREVITCH (M.), WOOLLACOTT (J.) (eds). Mass communication and society. London, Edward Arnold, 1977, pp. 37-38.
    Voetnoot 3: VELJANOVSKI (C.). Op. Cit., 1990, p. 39.

    De auteur VELJANOVSKI (C.). komt terug met hetzelfde artikel (indien een ander artikel wordt gebruikt van deze auteur, dient uiteraard een volledig nieuwe referentie te worden aangemaakt!) en daarom gebruiken we Op. Cit (opus citatum), mét de gebruikte pagina én het jaar van uitgave van het werk.

Vrije Universiteit Brussel De vakgroep communicatiewetenschappen is onderdeel van de faculteit Letteren & Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit Brussel