Een wetenschappelijke paper bevat een duidelijke
en logische structuur. Een hulpmiddel hierbij is het opstellen van
een werkplan of werkschema.
1. Het werkplan
1.1. Inleiding
- Je gaat uit van een concrete vaststelling / gangbare opvatting
uit de maatschappelijke realiteit (o.a. de actualiteit):
Voorbeeld: In onze consumptiemaatschappij kan men zich moeilijk
van de indruk ontdoen dat vrouwen telkens weer op een stereotiepe
wijze worden afgebeeld in reclame: de knappe, slanke en langbenige
sexy vrouw.
- Vanuit deze vaststelling formuleer je een concrete vraagstelling
of probleemstelling en een aantal onderzoeksvragen (deelvragen):
Voorbeeld: Wat zouden en kunnen de effecten zijn van dergelijke
stereotiepe beeldvorming op het zelfbeeld van jonge vrouwen?
- Indien je dat wenst en opportuun vindt, formuleer je één
of meerdere hypothese(n) m.b.t. je vraagstelling:
Voorbeeld: De stereotypering van de vrouw in reclame werkt de toename
van eetstoornissen in de hand.
- Waarom is dit onderzoek maatschappelijk en wetenschappelijk
relevant? Elk onderzoek, dus ook jouw paper, wordt opgestart vanuit
een specifieke doelstelling. Het doel van je onderzoek kan maatschappelijk
en/of wetenschappelijk zijn. Wat wil je uiteindelijk bereiken met
je onderzoek, waarom denk je dat het relevant is en hoe zou het
relevant kunnen zijn?
Voorbeeld: In psychologische kringen is de alarmbel geluid omtrent
de impact van media op de toenemende eetstoornissen van jonge meisjes,
wat de behandeling van dit onderwerp maatschappelijk relevant maakt.
Je kan met je paper deze discussie nuanceren of juist aanzwengelen.
1.2. Voorlopige inhoudsopgave
- De voorlopige inhoudsopgave fungeert als houvast.
- Je streeft ernaar voor ieder hoofdstuk(je) kort uit te
stippelen wat je wil vertellen (a.d.h.v. trefwoorden, kernzinnen),
wat je wil gaan doen.
- Een goede inhoudsopgave is onderverdeeld in hoofdstukken
en paragrafen. Terwijl je aan het lezen bent, vul je de inhoudsopgave
aan door bij elke paragraaf auteurs en bevindingen te vermelden
die kunnen worden gebruikt in desbetreffende paragraaf.
- Deze inhoudsopgave kan bijgestuurd worden en is dus niet
defintief.
2. De redactie van de paper: een
logische opbouw
Een logisch opgebouwde paper heeft een duidelijke structuur met
de volgende onderdelen:
Naam, richting, academiejaar, titel oefening of werkcollege, titel
van de zelf gekozen probleemstelling, naam van de verantwoordelijke
professoren en assistent(e)(n).
Zorg ervoor dat de inhoudslijst redelijk gedetailleerd is zodat
je blijk geeft van een duidelijke structuur in je hoofd en de lezer
reeds vanaf het begin weet welke aspecten er aan bod zullen komen
in de paper. Vergeet in de inhoudsopgave de paginering niet aan
te brengen.
Een goede inleiding gidst de lezer doorheen de paper en kan beschouwd
worden als een toelichting bij de inhoudsopgave. In een inleiding
kondig je aan wat aan bod komt in de paper. Wek bij de lezer geen
verwachtingen die je niet kan inlossen. In een inleiding stel je
alleen datgene in het vooruitzicht wat ook werkelijk in de paper
zal komen te staan. Volgende aspecten dienen in de inleiding aan
bod te komen:
- Welke probleemstelling en onderzoeksvragen (deelvragen) staan
centraal? Om jouw problematiek te situeren verwijs je naar een
gebeurtenis uit de actualiteit of naar een concrete vaststelling
uit de maatschappelijke realiteit. Indien nodig, licht je de probleemstelling
en onderzoeksvragen toe. Een duidelijke probleemstelling is zeer
belangrijk, gezien deze fungeert als ‘kapstok’ waarrond
de hele paper is opgebouwd.
- Wat is de maatschappelijke én wetenschappelijke relevantie
van het onderzoek?
- Hoe ga je te werk? Dus, wat is de gebruikte methodologie?
- Welke wetenschappelijke auteurs / stromingen zijn richtinggevend
voor het onderzoek?
- Structuur? Een inleiding moet je opvatten als een samengevatte ‘uitgeschreven inhoudslijst’. Uit de inleiding moet
reeds blijken wat de structuur van de paper zal zijn (dus bijvoorbeeld
dat er een theoretisch en een empirisch deel is opgenomen)
In het theoretisch kader van je paper bundel je verschillende uiteenlopende
theoretische inzichten / visies op jouw onderwerp / probleemstelling
samen.
Inhoudelijke tips bij het schrijven:
- Je schrijft op een confronterende wijze, niet op een opsommende
manier. Geen aaneenrijging van parafrases dus, maar een kritisch
toetsen van de verschillende inzichten, steeds in functie van je
probleemstelling. Je geeft aan op welke punten ze van elkaar verschillen,
op welke punten ze mekaar aanvullen. Schrijf gericht, zonder uit
te wijden over bijzaken. Aan het einde van je literatuurstudie vat
je de voornaamste conclusies samen in een kort besluit.
- In de inhoudelijke structuur van het theoretisch kader moet
de probleemstelling als een rode draad doorheen je betoog lopen.
De probleemstelling is de kapstok van je tekst – stuurt m.a.w.
de tekst – waaraan alle hoofdstukken en paragrafen kunnen
worden opgehangen. Eerst was er de probleemstelling, dan de tekst,
en niet omgekeerd, hoewel dit laatste een veel voorkomende fout
is. Een wetenschappelijke paper is geen staaltje van 'knutsel- en
plakwerk': alleen in functie van de vraagstelling worden relevante
ideeën, die bijdragen tot de ontwikkeling van je betoog en
argumentatie, met elkaar in verband gebracht. Alleen zo is je tekst
samenhangend. Dit geldt trouwens niet alleen voor het theoretische
deel van je paper, maar eveneens voor het empirische deel.
- Vertrek van algemene inzichten betreffende je problematiek /
onderwerp (vb. effect reclame) en ga zo verder naar specifieke inzichten
inzake je probleemstelling (vb. effect reclame op kinderen) en niet
vice versa.
Vormelijke tips bij het schrijven:
- Het theoretisch kader wordt onderverdeeld in hoofdstukken en
paragrafen. In iedere paragraaf vindt men telkens een nieuw gegeven.
Dit kan bijvoorbeeld een nieuw idee zijn, of een illustratie van
een voorgaand idee. Een paragraaf kan ook als overgang fungeren.
Tussen de verschillende paragrafen moet een samenhang bestaan. Elke
paragraaf is gelinkt aan de volgende, waarbij geen onverwachte sprongen
worden gemaakt.
- Door middel van tussentitels geef je duidelijk de opbouw van
je betoog weer.
Vormelijke tips bij het schrijven:
Zie vormelijke tips theoretisch kader.
De conclusie vormt het sluitstuk van je onderzoek en van je paper.
Breng dan ook geen nieuwe elementen meer aan! In de conclusie verbind
je de verschillende delen van je paper en maak je de balans op van
je onderzoek. Volgende aspecten dienen in de conclusie aan bod te
komen.
- Je synthetiseert kort wat je hebt onderzocht en op welke
wijze en formuleert vervolgens uitvoeriger de bevindingen die
jouw onderzoek heeft opgeleverd. M.a.w. je beantwoordt de vragen
die je bij de oorsprong van het onderzoeksproces (de inleiding
van je paper) hebt gesteld en geeft een duidelijk antwoord op
je probleemstelling.
- Tevens koppel je de resultaten die jouw onderzoek hebben opgeleverd
terug aan de (theoretische/methodologische) bespreking die je
voorafgaand hebt gemaakt. In concreto plaats je aldus jouw resultaten
binnen het theoretische veld en geef je aan welke inzichten door
jouw onderzoek bevestigd, weerlegd, genuanceerd, ondersteund,
aangepast, … kunnen worden.
- Je kan bovendien aangeven welke pistes interessant zijn voor
andere onderzoekers om te onderzoeken. Aldus trek je de problematiek
terug open voor verder onderzoek.
- Ten slotte laat de conclusie toe je eigen onderzoek te evalueren.
Je geeft aan welke vragen je niet kon beantwoorden en waarom;
welke fouten je maakte; of de probleemstelling toereikend was;
hoe je bepaalde problemen nu anders zou aanpakken; of je andere
theoretische of methodologische keuzes zou maken; etc.
Rangschik de (eerder in voetnoten) geraadpleegde auteurs alfabetisch.
Een paper is slechts wetenschappelijk verantwoord wanneer er een
volledige en juiste bibliografie wordt toegevoegd (zie verder).
Dit betekent volledige en juiste bibliografische referenties. Deze
bibliografie moet de lezer in staat stellen op het verrichte onderzoek
verder te bouwen, de geconsulteerde bronnen zelf op te zoeken en
na te gaan of er een nauwkeurig en accuraat gebruik van werd gemaakt.
Cijfermateriaal, tabellen, etc., dienen in de paper na de bibliografie
te zitten. Hier wordt in de tekst naar verwezen door middel van
de afkortingen fig.1, 2, .. (figuur), tab.1, 2,... (tabel), etc.
Wees hierin wel consequent: als je éénmaal ‘fig.’
gebruikt, kan dit de volgende keer niet door ‘tab.’
worden vervangen. Uiteraard neem je enkel bijlagen achteraan op
als je deze daadwerkelijk voor de behandeling van de probleemstelling
nodig hebt! Om overzichtelijk te werken, laat je de bijlagen best
voorafgaan door een ‘lijst van bijlagen’. In het geval
interviews worden afgenomen, vermeld je in bijlage ook naam en adres
van de geïnterviewde persoon en de datum van het interview.
Indien het om kwalitatieve diepte-interviews gaat, neem je de interviews
zelf integraal op in de bijlage.
3. Tips bij de redactie van de
wetenschappelijke paper
Schrijven mag dan vaak een kwestie van talent zijn, door veel te
oefenen, leert men ook schrijven. Er bestaan jammer genoeg geen
sluitende regels en wetten om te schrijven, alleen maar richtinggevende
tips:
-
Schrijf niet nodeloos moeilijk of ingewikkeld:
eenvoud siert.
-
Schrijf to-the-point.
-
Maak je zinnen niet te lang. Vermijd een teveel aan bijzinnen.
-
Schrijf correct: respecteer grammaticale en spellingsregels
(zoals dt-regels). Indien je deze regels niet naleeft, dan zal dit
punten kosten.
-
Vermijd 'anglicismen': letterlijke vertalingen uit het Engels
klinken vaak gekunsteld.
-
Schrijf niet opsommend, maar confronterend.
-
Gebruik bij voorkeur niet de eerste persoon enkelvoud ('ik-vorm'),
maar de ‘we-vorm’.
-
Vermijd zoveel mogelijk het gebruik van ‘men’.
-
Giet de tekst in een sobere, functionele lay-out.
-
Maak gebruik van hoofdstukken, paragrafen en tussentitels
(met nummering) met het oog op een duidelijke en onmiddellijk zichtbare
structuur.
-
Pagineer de tekst.
-
Tracht de tekst uit te lijnen.
-
Maak de tekst niet onleesbaar door een klein lettertype
met een kleine interlinie te combineren.
-
Volg strikt de instructie inzake het refereren naar je bronnen.
4. Het bibliografisch
apparaat: bibliografische verwijzingen
Een wetenschappelijke paper impliceert een bibliografisch apparaat.
Indien je in je paper geen gebruik maakt van bibliografische verwijzingen,
dan zal deze niet aanvaard worden. Ook indien je niet op een wetenschappelijk
verantwoorde manier refereert, dan zal dit consequenties hebben
voor de evaluatie en de quotering van je paper. Hieronder vind je
meer informatie over de richtlijnen inzake bibliografische verwijzingen.
4.1. Hoe verwijzen naar je informatiebronnen?
Als in de tekst naar de meningen van andere auteurs wordt verwezen,
wordt uiteraard de bron altijd vermeld. Hier zijn drie mogelijkheden:
- Met voetnoten (Europese referentiesysteem): onderaan
de pagina noteer je de naam van de auteur, titel, plaats van uitgave,
uitgever, jaar van uitgave en pagina.
- Met eindnoten (Europese referentiesysteem): op het einde
van een hoofdstuk of een korte paper vermeld je de naam van de
auteur, titel, plaats van uitgave, uitgever, jaar van uitgave
en pagina.
- Volgens de Amerikaanse referentiewijze: auteur, jaar en
pagina worden tussen haakjes gezet achter de overgenomen bewering.
Opgelet!:
- Hoe je ook verwijst naar bronnen, doe het consequent volgens één referentiemethode.
- Hou er rekening mee dat het van de professor/assistent kan
afhangen welk van de systemen de voorkeur geniet. In de taakopgave
wordt duidelijk gemaakt wat de verwachtingen zijn omtrent referenties.
Nota Bene:
In de verschillende systemen kunnen voetnoten ook gebruikt worden
om een korte uitleg bij een begrip, een concept of een auteur te
geven. Door het gebruik van voetnoten vermijdt men dat de eigenlijke
tekst overladen zou zijn. Beperk in dit geval echter het gebruik
van voetnoten tot het strikt noodzakelijke. Essentiële zaken
komen hoe dan ook in de tekst zelf.
4.2. Wanneer verwijzen naar bronnen?
Je verwijst altijd naar je bron als je andere auteurs aanhaalt.
Je kan ideeën van auteurs parafraseren of in eigen woorden
weergeven. Je kan ook andere auteurs letterlijk overnemen. In dat
geval citeer je hun woorden.
4.2.1. Parafraseren
Als je in eigen woorden het idee van een auteur hebt weergegeven,
sluit je de paragraaf af met een voetnoot, een eindnoot of vermeld
je op het einde van de paragraaf tussen haakjes de bron.
4.2.2. Citeren
Als meningen van andere auteurs letterlijk worden overgenomen,
is er sprake van citeren.
- Waarom citeren?
- Citeren om er daarna je eigen interpretatie aan te geven
- Citeren om je eigen interpretatie te ondersteunen.
- Regels m.b.t. het citeren
- Citaten moeten je betoog versterken of bevestigen op een gezaghebbende
wijze: vermijd onnodige, weinig originele citaten. Het is onnodig
de hulp van een autoriteit in te roepen om iets voor de hand liggends,
triviaals aan te tonen. Overdrijf ook niet met het gebruik van citaten.
- Uit elk citaat moet duidelijk blijken wie de auteur is en uit
welke publicatie (titel + jaar) en op welke pagina het citaat werd
ontleend.
- Een citaat dat niet langer is dan 2 of 3 regels kan binnen de
gewone tekst tussen aanhalingstekens worden opgenomen. Is het citaat
wel langer, laat het dan inspringen en gebruik een kleinere interlinie.
- Een citaat is een getrouwe weergave van de oorspronkelijke tekst
(zowel typografisch als inhoudelijk). Je mag geen delen van de tekst
weglaten zonder dat aan te geven (met name d.m.v. drie puntjes tussen
vierkante haakjes). Als je zelf delen van de tekst onderlijnt of
in vet zet, moet je dat aangeven.
- Een citaat moet exact en nauwkeurig zijn en moet door iedereen
gecontroleerd kunnen worden.
- Een citaat wordt steeds duidelijk aangegeven door het gebruik
van een cursief lettertype, in de marge in te springen (bij langere
citaten) en door aanhalingstekens te plaatsen. Vergeet nooit de
exacte referentie bij het citaat te plaatsen, zoniet verliest het
citaat iedere waarde en relevantie.
4.3. Plagiaat!
Telkens je een auteur gebruikt, refereer je. Dit geldt zowel voor
gedrukte als elektronische literatuur en zowel voor wetenschappelijke
als niet-wetenschappelijke literatuur. Als je een idee van een auteur
in eigen woorden weergeeft, maar pretendeert dat ze jouw idee is,
is dit immers intellectueel oneerlijk.
- Als je passages van een auteur citeert of parafraseert,
zonder naar zijn/haar werk te verwijzen, pleeg je dan ook plagiaat.
- Plagiaat kan echter ook in andere vormen voorkomen. Wanneer
je – zelfs met referentie naar het originele werk – letterlijk of bijna letterlijk (door hier en daar een aantal andere
woorden weg te laten) de woorden, zinnen, logica in opbouw of
structuur van iemand anders gebruikt en dit voorstelt als jouw
eigen interpretatie (parafrase), logica of structuur, dan begeef
je je op glad ijs en is een beoordeling op onwetenschappelijkheid
of erger nooit veraf.
Plagiaat betekent dus dat je de eer opstrijkt voor werk dat iemand
anders gedaan heeft. Dat is vanuit wetenschappelijk oogpunt onaanvaardbaar.
Er staan dan ook zware straffen op het plegen van plagiaat, gaande
van 0/20 op de paper tot uitsluiting van het werkcollege, de oefening
of het opleidingsonderdeel. Je neemt dus nooit dingen ‘gewoon
over’: je zet stééds alles om in je eigen woorden
en verwijst hierbij naar de auteur!
Nota Bene:
Als je tabellen, grafieken en illustraties gebruikt in je paper,
dan dienen deze ook voorzien te worden van een bronvermelding met
daarbij een titel en een legende. Zorg ervoor dat grafieken leesbaar
zijn. Pas dus op met kopieën.
4.4. Bibliografie
Een bibliografie is onontbeerlijk. Het bevat de volledige titelbeschrijvingen
van het geraadpleegde materiaal, alfabetisch gerangschikt op naam
van auteur. Indien je twee werken van dezelfde auteur gebruikt die
tevens in hetzelfde jaar verschenen zijn, dan kan je een onderscheid
hiertussen maken door bij het jaar a, b, …. (1990a, 1990b)
te plaatsen. Publicaties die niet gebruikt werden voor de opdracht,
worden uiteraard niet opgenomen in de bibliografie.
4.5. Bibliografische verwijzingen
en voetnoten
4.5.1. Voorafgaande opmerkingen:
verschil tussen voetnoten en bibliografie
In de voetnoten vermeld je enkel de pagina’s waar je je informatie
uithaalt. In de bibliografie, die de paper afsluit, geef je alfabetisch
alle referenties weer, die eerder in de voetnoten stonden. In de
bibliografie wordt – in tegenstelling tot in de voetnoten
– het volledig aantal pagina’s van het boek of artikel
weergegeven.
Voorbeeld voor een monografie:
- Referentie in de voetnoten:
MCQUAIL (D.). Mass Communication Theory. London, Sage, 1994, pp.
4-5.
- Referentie in de bibliografie:
MCQUAIL (D.). Mass Communication Theory. London, Sage, 1994, 416
p.
4.5.2. Richtlijnen referenties in voetnoten (Europese systeem)
In 1ste jaar bachelor wordt in de opdrachten voor het Werkcollege
media en communicatiewetenschappen het Europese systeem geprefereerd
(voetnoten onderaan elke bladzijde). De onderstaande voorbeelden
illustreren dit Europese systeem van refereren.
NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel boek. Plaats van uitgave,
uitgever, jaar, pp.x-y. Voorbeeld: MCQUAIL (D.). Mass Communication Theory. London, Sage,
1994, pp. 4-5.
- Artikels uit tijdschriften
NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel artikel. In: Titel tijdschrift,
jaar, jaargang (jg.) of volumenummer (vol.), nummer (nr.), pp. x-y.
Voorbeeld: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth
but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p. 17.
- Artikels uit verzamelwerken
NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel artikel. In: NAAM EDITOR(S)
(INITIALEN VOORNAAM) (ed.(s)). Titel verzamelwerk. Plaats van uitgave,
uitgever, jaar, pp. x-y.
Voorbeeld: MURDOCH (G.), GOLDING (P.). Capitalism, communication
and class relations. In: CURRAN (J.), GUREVITCH (M.), WOOLLACOTT
(J.) (eds). Mass communication and society. London, Edward Arnold,
1977, pp. 37-38.
NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel artikel. In: Titel krant,
datum van artikel, pp.x-y. Voorbeeld: DELTOUR (P.). Concentratievorming in Vlaanderen toegenomen.
In: De Standaard, 16 november 1995, p.7.
- Informatie op het internet
Zowel e-mails als informatie gevonden op het internet (www) worden
afgedrukt en in de bijlagen opgenomen.
NAAM AFZENDER ((INITIALEN VOORNAAM) (e-mail adres). Titel van e-mail,
datum van verzending, zie bijlagen: pp. x-y.
Voorbeeld: MURDOCH (R.) (murdoch@newscorp.com.au). I am a media
mogul, 3 januari 1997, zie bijlagen: pp. x-y.
Internet kan als een onuitputtelijke bron van informatie gezien
worden. De studenten worden daarom ook aangemoedigd om naast de
gebruikelijke literatuurstudie ook informatie te verzamelen op het
internet (meestal via WWW). Doch ook hier gelden enkele bibliografische
regels:
- URL's die als bron van informatie gediend hebben moeten
steeds in de voetnoten vermeld worden (niet in de tekst/maakt
het moeilijk leesbaar). Algemene vermeldingen (homepages) zoals
http://www.demorgen.be of http://www.oxford.ac.uk zijn onvoldoende.
Deze URL moet daarbij vergezeld zijn van een titelbeschrijving – volgens de richtlijnen inzake refereren – van de
publicatie op het web.
- Bovendien moet er in de bijlagen van de taak steeds een
outprint van ten minste de eerste bladzijde van de site waarnaar
verwezen wordt bijgevoegd worden met daarop de vermelde URL. Het
automatisch (in de header of footer) vermelden van de URL bij
het uitprinten van een webpagina is steeds eenvoudig in te stellen
bij de page setup preferences in het gebruikte browserprogramma.
Vraag desnoods raad aan de verantwoordelijke van de computerzalen.
Let op: er wordt hier een outprint van de exacte WWW-pagina gevraagd
waarnaar verwezen wordt en dus niet van de homepage van de site.
Ook wordt aan de studenten gevraagd om de volledige outprints
of de files op diskette zelf te bewaren, zodat die later eventueel
opgevraagd kunnen worden.
Een publicatie op het internet vereist volgende wijze van refereren:
- Referentie van publicatie op het internet zelf (zie bovenstaande
richtlijnen voor monografieën, artikels, krantenartikels,
etc.)
- http://site-adres (referentie van site waar informatie gevonden
werd), zie bijlagen: pp. x-y.
- Datum van raadpleging site
Voorbeeld:
GREEN (T.), MAIN (N.) & AITKEN-SMITH (J.). Can interactive digital
television bridge the ‘digital divide’?
http://www.dcs.napier.ac.uk/~mm/socbytes/jun2001/Jun2001_12.htm,
zie bijlage: p. 35.
Datum van raadpleging: 23 november 2004
Interviews of verslagen van interviews worden uitgeschreven en in de bijlagen opgenomen.
NAAM GEÏNTERVIEWDE (INITIALEN VOORNAAM), datum van interview,
zie bijlagen: pp. x-y. Voorbeeld: LENTZEN (E.), 16 december 1996, zie bijlagen: p. 37.
Overheidsdocumenten, bedrijfsverslagen, marktdata,… worden
gekopieerd en in de bijlagen opgenomen.
NAAM AUTEUR (INITIALEN VOORNAAM). Titel publicatie. Plaats van
uitgave, uitgevende organisatie, jaar, zie bijlagen: pp. x-y.
Voorbeeld: CANADEES MINISTERIE VAN COMMUNICATIE. Concentration
in Canada. Ottawa, Ministerie van Communicatie, 1987, zie bijlagen:
p. 28.
4.5.3. Specifieke situatie Amerikaanse
systeem van refereren
Bovenstaande uiteenzetting verduidelijkt hoe je dient te refereren
in voetnoten en in een bibliografie. Maar zoals reeds vermeld, mag
je ook gebruik maken van het Amerikaanse referentiesysteem waarbij
de referenties in de tekst zelf worden verwerkt. Hierbij ga je als
volgt te werk:
- Wanneer je de auteur(s) vernoemt in je tekst wordt de
voetnoot als volgt weergegeven: “McRobbie (1989: 27) stelt
dat…”.
- Plaats je een voetnoot zonder de auteur in de tekst zelf
te vermelden, dan ziet de voetnoot er als volgt uit: “Sommigen
spreken van een nieuwe sociale ongelijkheid op basis van levensstijl
(Delhaye, 1991: 552)”
- Indien meer dan twee auteurs het gebruikte werk hebben
geschreven, refereer je naar het werk door de eerste auteur te
vermelden, gevolgd door ‘et.al.’, bijvoorbeeld “Adorno
et. al. (1944: 179) stellen dat…”.
4.5.4. Onvolledige referenties
Hieronder vind je meer informatie over wat te doen indien één
van de gegevens voor de referentie ontbreken. De voorbeelden zijn
toegepast op een overheidsdocument (andere documenten) en meer specifiek
op voetnoten. Maar dezelfde regels gelden ook voor het Amerikaanse
systeem en een biliografie.
- Als de naam van de auteur ontbreekt in een referentie,
gebruik je in de plaats N.N. (‘nomen nihil’/‘no
name’).
Voorbeeld: N.N. Concentration in Canada. Ottawa, Ministerie van
Communicatie, 1987, zie bijlagen: p. 28.
- Als de plaats van uitgave ontbreekt, gebruik je in de plaats
s.l. (‘sine loco’).
Voorbeeld: CANADEES MINISTERIE VAN COMMUNICATIE. Concentration
in Canada. S.l., Ministerie van Communicatie, 1987, zie bijlagen:
p. 28.
- Als de uitgever ontbreekt, gebruik je in de plaats s.e.
(‘sine editore’).
Voorbeeld: CANADEES MINISTERIE VAN COMMUNICATIE. Concentration
in Canada. Ottawa, s.e., 1987, zie bijlagen: p. 28.
- Als de datum ontbreekt, gebruik je in de plaats s.d. (‘sine
dato’).
Voorbeeld: CANADEES MINISTERIE VAN COMMUNICATIE. Concentration
in Canada. Ottawa, Ministerie van Communicatie, s.d., zie bijlagen:
p. 28.
4.5.5. Overige regels voetnoten
- Verschil tussen p. en pp.
Als je in een voetnoot naar één pagina verwijst,
doe je dit door middel van p. Gebruik je evenwel meerdere pagina’s
uit een artikel of boek, gebruik je de notatie pp.
Voorbeeld 1: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not
myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p. 17.
--> hier wordt enkel naar pagina 17 verwezen
Voorbeeld 2: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not
myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, pp. 17-23.
--> hier wordt naar pagina’s 17 tot en met 23 verwezen
Voorbeeld 3: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not
myth but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, pp. 17, 19
--> hier wordt naar pagina’s 17 en 19 verwezen
- Meermaals verwijzen naar een zelfde werk in voetnoten
- Als je in een volgende voetnoot naar exact hetzelfde werk wil
verwijzen als in de voetnoot die er juist voor staat, maar naar
een andere pagina, kan je de notatie ‘idem’ gebruiken
Voorbeeld:
Voetnoot 1: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth
but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p.17.
Voetnoot 2: IDEM, p. 18.
- Als je in een volgende voetnoot naar exact hetzelfde werk wil
verwijzen als in de voetnoot die er juist voor staat én naar
dezelfde pagina, kan je de notatie ‘ibidem’ gebruiken.
Voorbeeld:
Voetnoot 1: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth
but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p.17.
Voetnoot 2: IBIDEM.
- Als je in een voetnoot wil verwijzen naar een werk waarnaar
reeds eerder werd gerefereerd en dit eerste werk staat niet juist
voor deze voetnoot, kan je de notatie ‘Op. Cit.’ (cursief
en met hoofdletters!) gebruiken. Let er ook op dat je het jaar vermeldt
van het werk, om zo duidelijk twee of meer werken van eenzelfde
auteur te onderscheiden. Indien je twee werken van dezelfde auteur
gebruikt die tevens in hetzelfde jaar verschenen zijn, dan kan je
een onderscheid hiertussen maken door bij het jaar a, b, ….
(1990a, 1990b) te plaatsen. In de bibliografie doe je dit ook, zodat
de lezer op die wijze de volledige referentie snel kan terugvinden.
Voorbeeld:
Voetnoot 1: VELJANOVSKI (C.). Market driven broadcasting: not myth
but reality. In: Intermedia, 1990, jg. 18, nr. 6, p. 17.
Voetnoot 2: MURDOCH (G.), GOLDING (P.). Capitalism, communication
and class relations. In: CURRAN (J.), GUREVITCH (M.), WOOLLACOTT
(J.) (eds). Mass communication and society. London, Edward Arnold,
1977, pp. 37-38.
Voetnoot 3: VELJANOVSKI (C.). Op. Cit., 1990, p. 39.
De auteur VELJANOVSKI (C.). komt terug met hetzelfde artikel (indien
een ander artikel wordt gebruikt van deze auteur, dient uiteraard
een volledig nieuwe referentie te worden aangemaakt!) en daarom
gebruiken we Op. Cit (opus citatum), mét de gebruikte pagina
én het jaar van uitgave van het werk.
|