2 december 2008

Cyberpesten wordt nog te veel onderschat

Heel wat jongeren minimaliseren het fenomeen van cyberpesten. Maar zowel de slachtoffers als de daders en de getuigen vertonen vaker gedrags- en emotionele problemen dan andere jongeren. De ouders en de scholen spelen een belangrijke rol in de bestrijding van het fenomeen. Dat besluiten Kathleen Leemans en Timi Goberecht in hun masterproefschriften in de Psychologie aan de Vrije Universiteit Brussel.

Cyberpesten is een vrij recent fenomeen, dat samen met de technologische ontwikkelingen van de laatste jaren ingang heeft gevonden in de leefwereld van jongeren. Men spreekt van cyberpesten wanneer iemand herhaaldelijk en gedurende een bepaalde periode gepest wordt door middel van elektronische media. Net als bij traditioneel pesten heeft cyberpesten naast een verbale ook een fysieke variant, die bestaat uit het beschadigen van materiaal door bijvoorbeeld virussen te sturen of programma’s te hacken. Maar de psychologische impact van cyberpesten kan nog veel groter zijn dan die van het traditionele pesten. Dat de dader zijn identiteit verborgen kan houden, geeft hem bijvoorbeeld nog meer macht, en dat het pesten 24 uur op 24 kan doorgaan, is zenuwslopend.

Op vraag van de Beweging tegen Geweld – vzw ZIJN ondervroegen laatstejaarsstudenten Katrien Leemans en Timi Goberecht 1022 jongeren uit de eerste graad van het secundair onderwijs, verspreid over vijf Vlaamse scholen. Uit hun onderzoek blijkt dat een kwart van de jongeren het voorbije schooljaar in aanraking kwamen met cyberpesten - als slachtoffer, dader of getuige. Zelf verklaarde één op tien slachtoffer geweest te zijn van cyberpestgedrag, maar impliciete metingen geven aan dat dit aantal in realiteit oploopt tot vijftig procent. De slachtoffers hebben duidelijk de neiging om het cyberpesten te minimaliseren, wat mogelijk een copingstrategie is. Getuigen schatten de hardheid van het cyberpesten een stuk zwaarder in. Ze grijpen vaak in, maar toch blijft een groot aantal jongeren die getuige zijn van cyberpesten ook passief aan de zijlijn staan. Jongeren moeten volgens de onderzoekers leren inzien dat anderen viseren met negatieve berichten via internet of gsm wel degelijk een vorm van pesten is. Ook de daders beseffen immers vaak niet dat hun gedrag pestend is. Zo verklaart amper één op de twintig jongeren zelf een dader te zijn, terwijl de impliciete vragen aantonen dat dit er in werkelijkheid vier op de tien zijn. Hun motief is in het gros van de gevallen wraak, wat uiteindelijk kan leiden tot een negatieve spiraal zonder einde.

De onderzoekers stelden vast dat slachtoffers van cyberpesten opvallend vaker emotionele symptomen, gedragsproblemen, hyperactiviteit, aandachtsproblemen en problemen met leeftijdsgenoten vertonen. Maar ook de andere betrokkenen - de daders en getuigen van cyberpesten - vertonen meer gedragsproblemen.

Het is dus duidelijk een fenomeen dat goed aangepakt moet worden. Aangezien het zich vooral blijkt af te spelen in het intieme sociale netwerk van de jongere, ligt hier voor de ouders en de school een zeer belangrijke rol weggelegd.

Het onderzoek werd gevoerd via de Wetenschapswinkel Brussel.
Beide thesissen en abstracts zijn beschikbaar op:
http://www.vub.ac.be/wetenschapswinkel/publicaties/thesisonderzoeken.htm

Contact

Kathleen Leemans, tel: 0496-72 93 38
Timi Goberecht, tel: 0479-23 52 79
Prof. Caroline Andries (promotor), tel: 02-629 25 28, caroline.andries@vub.ac.be

Meer info

www.vzwzijn.be
www.vub.ac.be/wetenschapswinkel

©2008 • Vrije Universiteit Brussel • Pleinlaan 2 • 1050 Elsene • Tel.: 02/629.21.11 • info@vub.ac.bedisclaimer