4 februari 2010

Slechte slapers hebben vaak moeite om prikkels te onderdrukken

Insomnie of slapeloosheid wordt niet altijd veroorzaakt door hyperarousal, maar kan ook het gevolg zijn van problemen met de-arousal. Dat blijkt uit een studie van slaapexperte Aisha Cortoos van de Vrije Universiteit Brussel. Als alternatief voor een farmacologische behandeling kan een neurofeedbacktraining een gunstig effect hebben op de inslaaptijd en de totale slaapduur.

Tien tot twintig procent van de bevolking lijdt aan insomnie of slapeloosheid. Ze hebben moeilijkheden om in- of door te slapen, of slapen onvoldoende diep zonder dat daar een andere slaapstoornis of medisch/psychiatrische aandoening achter zit. Eerder onderzoek toonde aan dat het centrale probleem bij deze populatie ligt in een verstoring van de arousal-reactie (letterlijk: opwinding) en dat zij voornamelijk gekenmerkt worden door een toestand van hyperarousal. Deze stressreactie manifesteert zich op het verkeerde moment of naar aanleiding van de verkeerde context. Er worden traditioneel drie types van hyperarousal onderscheiden: somatische hyperarousal (met een verhoogde spierspanning, hoger cortisolgehalte in het bloed of een hoger metabolisme), cognitieve hyperarousal (angst, overmatig piekeren) en corticale hyperarousal (met een verhoogde hersenactiviteit gerelateerd aan verdere informatieverwerking tijdens de slaap).

Volgens slaapexperte Aisha Cortoos van de Vrije Universiteit Brussel kan er naast hyperarousal echter ook een probleem van de-arousal aan de basis liggen van slapeloosheid. Beide toestanden kunnen gezien worden als twee uiteinden van één continuüm, maar zijn wel gerelateerd aan verschillende processen, vergelijkbaar met het rem- en gaspedaal in de wagen. Uit het onderzoek bij patiënten met insomnie bleek de hersenactiviteit niet gekenmerkt te worden door corticale hyperarousal, wat door andere onderzoekers wel vaak werd teruggevonden. Daarnaast vertoonden de patiënten in de studie evenmin een verschil in hun alertheidsniveau en reactie op geluiden. Wanneer zij echter de opdracht kregen om geluidsprikkels te negeren, en dus hun aandacht te onderdrukken, werden wel verschillen waargenomen in vergelijking met goede slapers. Deze resultaten wijzen erop dat bepaalde insomniepatiënten moeilijkheden ondervinden met inhiberende processen in plaats van enkel met activerende processen, en dat zij dus eerder een probleem hebben met de-arousal in plaats van hyperarousal.

Het fenomeen van een verstoorde de-arousal werd ook bevestigd door de vertraagde opbouw van de trage hersenactiviteit (delta EEG-activiteit) tijdens de inslaaptijd. Het inslapen wordt onder normale omstandigheden gekenmerkt door een daling van de hoge frequenties (beta EEG-activiteit) en een stijging van de trage frequenties (delta en theta EEG-activiteit) in het EEG. Deze laatste stap verloopt moeizaam bij deze groep van insomniepatiënten. Ook de Cyclic Alternating Pattern (CAP)-index, dewelke een weerspiegeling is van de motor van de slaap en die aangeeft hoe hard de hersenen moeten werken om slaap te produceren, ligt beduidend hoger bij de onderzochte insomniepatiënten. Daarenboven blijkt deze index ook verband te houden met het onderdrukken van de aandacht tijdens het voorgaande experiment. Concreet: hoe moeilijker de personen het ‘s avonds hadden met het onderdrukken van de aandacht, hoe harder de hersenen moesten werken om slaap te produceren tijdens de nacht.

Behandeling

In haar onderzoek bestudeerde Cortoos ook een niet-farmacologische behandeling van slapeloosheid, door gebruik te maken van een experimentele trainingsmethode genaamd neurofeedback- of EEG biofeedbackmethode. Neurofeedback is een training gebaseerd op de principes van operante conditionering en heeft een invloed op het centraal zenuwstelsel. Tijdens de training werd het EEG geregistreerd en kregen de patiënten onmiddellijk feedback over hun hersenfuncties via een computerscherm. Deze trainingsmethode zou specifiek kunnen inwerken op het probleem van corticale de-arousal en aldus de informatieverwerkingsprocessen die mogelijks verstorend werken tijdens de nacht. Een actieve controlegroep kreeg zonder het te weten frontale EMG biofeedback, waarbij feedback werd gegeven over de spieractiviteit in plaats van de hersenactiviteit. Na acht weken bleken de trainingen voor beide groepen een gunstige invloed te hebben op de inslaaptijd, maar enkel de neurofeedbacktraining resulteerde ook in een toename van de totale slaaptijd.

Referenties

Cortoos Aisha, De Valck Elke, Arns Martijn, Breteler Marinus & Cluydts Raymond. (2009). Tele-neurofeedback and tele-biofeedback in primary insomnia patients: An exploratory study on the effects on subjective and objective sleep. Applied psychophysiology and Biofeedback

Cortoos Aisha, De Valck Elke, Cluydts Raymond. (2009). Conditioned Arousal in insomnia patients: physiological, cognitive, cortical. An and/or question? In: Melatonin, Sleep and Insomnia. Eds.: Colombus F., Nova Science Publishers Inc., New York.

Meer informatie

Dr. Aisha Cortoos
aisha.cortoos@vub.ac.be

In navolging van dit onderzoek voert de onderzoekseenheid Biologische psychologie van de Vrije Universiteit Brussel een studie uit om de specifieke effecten van slaaptekort en arousal op het dagelijks functioneren in kaart te brengen. Hiervoor zijn de onderzoekers nog op zoek naar vrijwillige proefpersonen, zowel insomniepatiënten als goede slapers. Voor meer informatie over dit onderzoek kan u contact opnemen met Annick Van den Nest (annick.van.den.nest@vub.ac.be of 02-629.12.72).

Meer info op www.slaaponderzoek-vub.be

©2008 • Vrije Universiteit Brussel • Pleinlaan 2 • 1050 Elsene • Tel.: 02/629.21.11 • info@vub.ac.bedisclaimer