|
HET NEDERLANDS OVER DE GRENZEN EN DOOR DE EEUWEN HEEN |
|
Lesidee en uitwerking: Diane Bzdenga
Bronnen: Taalquizboek, Geert Craps & Willy Smedts, Leuven, Davidsfonds/Clauwaert, 1996.
1. Doelstellingen
De cursisten verwerven op een speelse manier culturele, historische en linguïstische weetjes over het Nederlands als Vreemde Taal.
De studenten doen een beroep op hun kennis van de wereld bij het oplossen van de vragen. Ondertussen wordt hun lees-(bij het lezen van de vragen), luister-(bij het luisteren naar de antwoorden van de medecursisten) en spreekvaardigheid(bij het beantwoorden van de vragen) ingeoefend.
Ten slotte worden ook ze ook getest op hun vaardigheid om de feiten te kunnen samenvatten en voorstellen.
2. Werkwijze
De docent verdeelt de klas in groepjes van vier à vijf personen en geeft hen elk een aantal vragen. Per groep proberen ze de vragen op te lossen. De leerkracht gaat van groep tot groep om de oplossing te controleren en hier en daar eventueel wat woordenschat uit te leggen.
Tijdens de tweede opdracht moet elk groepje zijn verworven kennis verwerken tot één van de volgende vormen nl. een nieuwsbericht, een documentaire, een interview of een quiz.
In de laatste fase van deze les presenteren de studenten hun werkje en laat de leerkracht de feiten door verschillende studenten herhalen door duidelijke vragen te stellen. Bij die fase informeert de docent ook naar wat hen verrast heeft, wat ze wel al wisten, wat ze moeilijk kunnen geloven enz...
3. Vragen:
De vragen zijn verdeeld over verschillende onderwerpen:
Het Nederlands door de eeuwen heen. |
1. Wanneer werd het Nederlands als officiële taal met volledig gelijke rechten in België erkend?
a. 1838 |
|
| b. 1868 | |
|
c. 1898 |
| d. 1928 |
2. Vanaf wanneer werd het lager en middelbaar onderwijs in Vlaanderen ééntalig Nederlands?
a. 1832
b. 1883
c. 1910
d. 1932
3. In welke eeuw ontstaat er een gesproken Nederlandse standaardtaal?
a. de zestiende eeuw |
|
| b. de zeventiende eeuw | |
|
c. de negentiende eeuw |
|
d. de twintigste eeuw |
4. Welke soorten woordenboeken werden voor het Nederlands als eerste gemaakt?
a. verklarende (bij elk woord staat wat het betekent)
b. vertalende (van een vreemde taal naar het Nederlands)
c. vertalende (van het Nederlands naar een vreemde taal)
d. woordenlijsten (een inventaris zonder verklaring of vertaling)
5. Wanneer werd in België de taalgrens definitief vastgelegd?
a. 1830
b. 1918
c. 1945
d. 1962
6. Wanneer werd de Universiteit van Leuven ééntalig Nederlands?
a. 1938
b. 1948
c. 1958
d. 1968
Het Nederlands over de grenzen heen |
1. Het Nederlands wordt als moedertaal gesproken door
a. 19 miljoen mensen |
|
| b. 20 miljoen mensen | |
|
c. 21 miljoen mensen |
2. Als we een rangorde opmaken van de elf officiële talen van de EU, op welke plaats komt het Nederlands dan qua aantal sprekers?
| a. op de vierde plaats | |
| b. op de vijfde plaats | |
|
c. op de zesde plaats |
|
d. op de zevende plaats |
3. Aan hoeveel universiteiten buiten Nederland en België wordt Nederlands als vak onderwezen?
| a. minder dan 20 | |
| b. tussen 20 en 50 | |
| c. tussen 51 en 80 | |
| d. tussen 81 en 100 | |
|
e. meer dan 100 |
4. In welke twee landen zijn er het meest aantal universiteiten waar Nederlands wordt gedoceerd?
|
a. Duitsland |
| b. Frankrijk | |
| c. Indonesië | |
|
d. Zuid-Afrika |
|
e. Verenigde Staten |
| f. Polen | |
| g. Groot-Brittannië |
5. Hoeveel taalgebieden zijn er in België?
| a. één | |
| b. twee | |
| c. drie | |
|
d. vier |
6. Als we een rangorde opmaken van de talen die in de hele wereld worden gesproken, heeft het Nederlands dan een plaats
| a. bij de eerste twintig | |
|
b. tussen 21 en 40 |
| c. tussen 61 en 80 | |
| d. tussen 81 en 100 |
De invloed van andere talen in het Nederlands |
1. Hoe hoog is het gemiddelde percentage als vreemd herkenbare leenwoorden in het Nederlands?
| a. 1% | |
| b. 5% | |
|
c. 10% |
| d. 20% |
2. Waren er in de achttiende eeuw minder, meer of evenveel leenwoorden in het Nederlands in vergelijking met nu?
| a. minder | |
| b. meer | |
|
c. even veel |
3. Uit welke taal komen de woorden mannequin en boulevard?
| a. uit het Engels | |
|
b. uit het Frans |
| c. uit het Duits | |
|
d. het zijn oorspronkelijke Nederlandse woorden |
4. De beroemde plantkundige Dodoens gaf in 1644 aan aardappel de volgende naam
| a. patat | |
| b. aardappel | |
|
c. papa |
| d. aardpeer |
5. De woorden pudding, rosbief en koffiehuis hebben we uit het Engels. Wanneer zijn die in onze taal ingevoerd?
| a. in de zeventiende eeuw | |
|
b. in de achttiende eeuw |
| c. in de negentiende eeuw | |
| d. in de twintigste eeuw |
6. Apotheek is eigenlijk hetzelfde woord als
|
a. bodega en boetiek |
| b. het Arabische al potok, wat geneesmiddel betekent | |
|
c. het Griekse apothiki, wat bewaarplaats betekent |
| d. pot-hok: een kamer waarin potjes worden bewaard |
De structuur van het Nederlands |
1.Hoeveel woorden telt het Nederlands?
a. meer dan een half miljoen |
| b. meer dan driekwart miljoen |
| c. meer dan een miljoen |
| d. oneindig veel |
2. De woordenschat van de gemiddelde spreker van het Nederlands bedraagt ongeveer
2000 à 3000 woorden |
| 10.000 à 11.000 woorden |
| 90.000 à 100.000 woorden |
| 220.000 à 230.000 woorden |
3. Wat is het meest frequente zelfstandige naamwoord in Nederlandse schrijf- en spreektaal?
| heer |
| man |
| aantal |
| mensen |
4. In de spreektaal zijn zinnen
korter en eenvoudiger dan in schrijftaal |
| meestal langer en ingewikkelder dan in schrijftaal |
| even lang en ingewikkeld als in schrijftaal |
| even lang, maar meestal eenvoudiger dan in schrijftaal |
5. Koeterwaals betekent eigenlijk oorspronkelijk
Frans van de boeren |
| gesproken Frans |
| omgangstaal van Wallonië |
| onverstaanbaar gepraat van een handelaar |
6. Hoeveel woorden met twee letters telt het Nederlands?
3 letters |
| 5 letters |
| 8 letters |
| 12 letters |
Dit zijn voorbeelden uit het Taalquizboek die de leerkracht kan gebruiken of aanvullen met andere vragen of onderwerpen. |