TWEE COLOR CARDS-SUGGESTIES

 

Uitwerking: Nele Van Mieghem

Materiaal: Color Cards: de rode doosjes met verschillende sets foto’s, te vinden in de kast in het seminarie.

Doelgroep: de oefeningen werden uitgetest in een klas Nederlands elementair, maar zijn zeker voor alle andere talen (misschien ook voor andere niveaus?) even bruikbaar.


1. EEN KWARTETSPEL

Duur: 1 uur (zelf korter of langer te maken naar believen)

Onderwerp: positie- en actiewerkwoorden (staan, hangen, liggen, zitten; zetten, leggen) + een chronologische volgorde kunnen uitdrukken (eerst, dan, daarna, op het einde).

Werkwijze: op een actieve, communicatieve manier deze werkwoorden aan bod laten komen

Materiaal: Color Cards, reeks "4 logische sequenties".

Voor 12 cursisten heb je 6 sets van 4 foto’s nodig; voor 14 cursisten 7 sets; voor 18 cursisten 6, enzovoort.

Een aantal volledige reeksen worden uitgekozen (bij voorkeur die waarop de positie- en actiewerkwoorden het meest aan bod komen). Bijvoorbeeld:

De puzzel: grootmoeder en kleinzoon leggen de puzzel op tafel - er staat een doos op tafel - er zit nog een stukje in de doos, ...

De afwas: vader en zoon doen afwasproduct in het water; de zoon begint af te wassen; de vader droogt af; ze zetten alles terug in de kast

De boekenkast: de man en de vrouw doen de doos open; ze maken de kast; ze leggen de plank in de kast; ze zetten de boeken in de kast.

Het middagmaal: broer en zus zetten de tafel. Ze wachten een tijdje. Ze beginnen te eten. Mama komt te laat, ze zijn al klaar.

Babywandeling: mama doet baby’s jasje aan; ze legt hem in de kinderwagen; haar jas en handtas hangen aan de kapstok; ze trekt zelf haar jas aan; ze gaan naar buiten.

Opstaan: de jongen ligt in bed / hij slaapt; de wekker gaat: hij staat op; hij kleedt zich aan; hij vertrekt naar school

De verjaardag: de kleindochter geeft haar opa 2 cadeaus, opa zit in de zetel; hij doet het eerste cadeau open: er zitten bloemen in; in het tweede cadeau zitten een pet en een sjaal, hij zet de pet op zijn hoofd; ze drinken een glas en eten een stuk taart.

De vaas: het meisje wil een grote vaas aan haar moeder geven; maar ze laat de vaas vallen; moeder maakt alles proper / ze ruimt op; de bloemen staan nu in een andere vaas. Er hangen gordijnen aan het raam, ...

Verloop:

Elke cursist krijgt 2 kaarten van 1 set. (Bij een oneven aantal cursisten moet je één kwartet verdelen onder 3 cursisten in plaats van onder 2.) Iemand van de andere cursisten heeft de andere helft, maar hij weet natuurlijk niet wie.

!!! Het is te zeggen, als de cursisten de nummers op de achterkant van de foto niet verstoppen, weten ze het natuurlijk wel! Je moet hen er dus uitdrukkelijk op wijzen hun hand ervoor te houden.

De bedoeling is dat de cursisten door vragen te stellen de andere helft van hun kwartet vinden. Bv.:

"Heb jij ook een foto met een man en een kind? Zijn ze in de keuken? Eten ze? ..."

Als iedereen zijn partner gevonden heeft, gaan ze per 2 samen zitten en leggen ze de foto’s in de goede volgorde. Bij iedere foto moeten ze vertellen wat er gebeurt. Het chronologisch verloop moet duidelijk zijn uit hun uitleg! Bv.: in het begin, eerst, dan, daarna, op het einde,... Ze moeten ook een beetje de woordenschat van de details op de foto kennen, zodat ze in de volgende fase uitleg kunnen geven.

Klassikale fase: elk groepje stelt zijn serie voor.

1 groepje staat recht, toont alleen de eerste foto en zegt erbij wat er gebeurt. De rest van de klas moet voorspellen wat er op het volgende plaatje zal gebeuren.

Tip: de cursisten zitten het best in een kring, zodat iedereen alles goed kan zien. Iedereen moet om de beurt een foto voorspellen, zodat zeker iedereen aan het woord komt. Toch kunnen ze zich niet op voorhand voorbereiden, want ze weten niet wat er gaat komen. Het eerste groepje kan wel tips geven of helpen met de woordenschat.

Evaluatie: de cursisten vonden dit zo leuk dat ze spontaan vroegen om nog een serie te doen, zodat we uiteindelijk bijna het hele doosje foto’s gebruikt hebben.


2. OORZAAK EN GEVOLG

Duur: 20 minuten (zelf korter of langer te maken naar believen)

Onderwerp: automatiseren van perfectum en toekomst

Werkwijze: op een actieve, communicatieve manier deze tijden inoefenen. De cursisten kennen de vormen "gaan" en "zullen" om de toekomst uit te drukken, en de perfectumvormen van veel voorkomende werkwoorden (zwak, sterk en onregelmatig; zijn en hebben; ge- of niet).

Materiaal: Color Cards, reeks "oorzaak en gevolg".

Verloop:

a) Wat is er gebeurd?

De kaarten worden door de klas verspreid: overal ligt een stapeltje van 2 foto’s: het gevolg bovenaan, de oorzaak eronder. De studenten lopen per 2 vrij rond door de klas en kiezen zelf de volgorde waarin ze de foto’s bekijken. De vraag die ze moeten beantwoorden, en waarover ze automatisch zullen discussiëren, is: wat is er gebeurd? Ze moeten dus het perfectum gebruiken.

Spelelement: ze mogen nog niet naar de tweede foto kijken. Na 5 minuten worden alle foto’s klassikaal overlopen, waarbij de oorzaak onthuld wordt. De leerkracht vraagt naar de oplossing van de cursisten en ze worden vergeleken met de foto.

b) Wat zal er gebeuren?

Op dezelfde manier wordt nu met de toekomst gewerkt: stapeltjes van 2 foto’s, met de oorzaak bovenaan. De vraag is: wat zal er gebeuren? Opnieuw volgt hierop een klassikale fase waarin de resultaten vergeleken worden.

Evaluatie: de cursisten vonden dit eveneens heel leuk en bleken uitermate nieuwsgierig om te weten wat er op de andere foto stond.