DOEN OF MAKEN?

 

 

Ann De Schryver, mei en september 1997 (niveau: halfgevorderden)

 


A) Inleidend gesprekje

Welke huishoudelijke taken moet je dit weekend zeker in orde brengen? Waarom?
Indien nodig, helpt lkr. met de woordenschat, maar zonder expliciet in te gaan op eventuele gevallen doen/maken.
Leerkracht geeft daarna haar ‘lijstje’, maar laat telkens het werkwoord ‘doen’ weg (vervang door ‘beep’).

 

Ik moet dit weekend ontzettend veel .... . Eerst moet ik boodschappen .... . Daarna moet ik zeker de afwas .... en ik zou liefst ook nog de was .... . Tussendoor zou ik dan nog een beetje aan sport willen .... . Maar als ik dat allemaal wil volhouden, zal ik op een bepaald ogenblik toch even een dutje moeten ....
In te vullen door de studenten: DOEN.

 

Bovendien moet ik dan nog de bedden .... en vervolgens moet ik eten .... . Ten slotte zou ik dan ook nog een nieuwe les willen .... voor volgende week.
In te vullen door de studenten: MAKEN.

 


B) Regel

Proberen de ‘regel’ te laten afleiden: ‘maken’ is creatiever (je ‘maakt/creëert’ iets dat er niet was vóór de actie), concreter. Met deze regel maak je zeker niet alle gevallen juist, want er zijn veel uitdrukkingen. Toch geraak je met deze regel verder dan met puur raden. Discussie over de mate van ‘creativiteit’ is interessant, want dat doet de studenten nadenken over de regel (b.v. de afwas doen, het bed maken; eigenlijk gelijkaardig). Wijs ook op ‘Wat heb je gisteren/... gedaan?’

 


C) Toepassing

Leerkracht schrijft volgende gevallen op het bord en laat de studenten zoeken (in groepjes of per twee) Waar nodig laat ze de studenten aan elkaar de betekenis van een woord uitleggen.

een afspraak/ iets met opzet/ een doelpunt/ een foto/ aan sport/ de vaat/ een praatje/ zout in de soep/ een uitstap/ lawaai/ de groeten/ ruzie/ op slot/ een voorstel/ een dutje/ een inspanning/ een goed woordje voor iemand/ suiker in de koffie/ carrière/ zich pijn

Opmerkingen

  1. De volgende gevallen stroken naar mijn gevoel niet met de regel: de groeten doen, een voorstel doen (je ‘maakt’ ook iets dat er niet was zonder je actie); een inspanning doen, zich pijn doen (vrij concreet...); laat de studenten gerust over de graad van creativiteit/concreetheid discussiëren (b.v. ‘een dutje doen’: je maakt niets...).
  2. Er zitten ook twee gevallen in waar ‘doen’ ‘plaatsen’ betekent: door de studenten laten opmerken (zout in de soep doen, suiker in de koffie doen).

 

Inoefenen

Eventueel kunnen deze gevallen op strookjes gezet worden waarmee de studenten rondlopen en steeds van werkpartner wisselen.

  1. elkaar ondervragen (b.v. A: ‘een inspanning’  - B: reageert ‘doen’)
  2. definities en omschrijvingen geven (b.v. A: ‘hard werken’  - B reageert ‘een inspanning doen’)

 


D) Verdere voorbeelden met ‘doen’

(met dank aan één van mijn aggregatiestudenten voor de inspiratie om op deze manier een dictee te doen)

 

De leerkracht heeft een verhaal voor zich waarin talrijke gevallen met ‘doen’ verwerkt zijn. De klas verdeelt zich in paren (eventueel één groepje van drie). Er wordt via een ‘dictee’ gewerkt. De leerkracht legt het blad voor zich op een tafel, eerst alleen de eerste zin, dan ook de tweede, enz. Persoon A van elk paar komt telkens naar voren en leert één zin van het dictee van buiten. A gaat dan naar zijn/haar plaats terug en dicteert de zin aan B. A komt voor elke zin opnieuw naar voren. Zo wordt er gewerkt tot in de helft van het dictee, waarna A en B van rol wisselen.

Op het einde kunnen A en B elk hun eigen tekstdeel komen vergelijken met het origineel (of kopie) om de fouten te vinden (eventueel eerst per twee wisselen: A kan waarschijnlijk fouten vinden bij B en omgekeerd).

Paren die sneller klaar zijn kunnen proberen heel de tekst van buiten te leren.

 

Tekst: zie verder

 

Eventuele problemen qua betekenis worden uitgelegd.

Opmerkingen

De tekst bevat een aantal uitdrukkingen (b.v. ‘doen alsof’), maar ook de algemene betekenis ‘zich .... gedragen’ (b.v. ‘dom doen’).

Er zit ook het geval ‘iemand een plezier doen’ bij, dat achteraf (zie volgende lesfase) kan vergeleken worden met ‘plezier maken’. Wijs ook op ‘zich/iemand pijn doen’ en ‘het doet pijn’.

 


E) Verdere voorbeelden met ‘maken’

De klas wordt in groepjes verdeeld. De leerkracht geeft twee uitdrukkingen met ‘maken’. Daaruit kiest elke groep er één om het begin van een verhaal te schrijven.

Een groep die klaar is, vraagt opnieuw twee uitdrukkingen, waarvan er weer één moet verwerkt worden in het vervolg van het verhaal. Zo wordt er steeds verder gewerkt. Tragere groepen krijgen gewoon minder vaak twee uitdrukkingen.

 

iemand wakker maken/zich druk maken over iets

 

er een gewoonte van maken/zich belachelijk maken

 

plezier maken/een omweg maken

 

een keuze maken/een vergelijking maken

 

iemand blij maken/een kans maken

 

iemand doen lachen/iemand doen wenen

 

een goede indruk maken/een beweging maken

 

zijn werk goed doen/een verslag maken

 

Opmerking

Wijs hier ook op de algemene betekenis ‘in een bepaalde toestand brengen’ (b.v. ‘wakker maken’, ‘blij maken’) en op ‘iemand iets doen doen’ (b.v. iemand doen lachen).

Om de les af te ronden zijn er verschillende mogelijkheden.

a) De studenten leren de tekst van hun groep van buiten en gaan die aan verschillende andere studenten vertellen (steeds per twee) (of voorlezen, als van buiten leren te moeilijk is).

b) De leerkracht leest de tekstjes voor (zonder de eventuele fouten) en laat de andere groepen samenvatten.

Naargelang het tempo van de groepen kan één groep a) doen, een andere b) of beide.

Eventuele schrijffouten e.d. kunnen door de leerkracht samengebracht worden en een volgende les klassikaal verbeterd worden.

 


F) Invuloefening

Eventueel kan er geëindigd worden met een klassieke invuloefening.

 


G) Dictee

1) Vorige week stond er een interessante vacature bij een grote firma in de krant.

 

2) Ik dacht bij mezelf: "Als ik een beetje moeite doe, kan ik die job wel krijgen".

 

3) Ik besloot dus een poging te doen om te solliciteren.

 

4) Ik vond een c.v. sturen echter niet genoeg en deed ook een beroep op mijn oom.

 

5) Die werkt namelijk bij die firma en ik vroeg hem me een plezier te doen.

 

6) "Kan je misschien eens een goed woordje voor me doen bij de baas?", vroeg ik hem.

 

7) Mijn vraag deed hem heel hard lachen.

 

8) "Wist je dan niet dat ik zelf de baas ben?", antwoordde hij.

 

9) Ik was heel verbaasd, want daar had ik echt geen idee van.

 

10)Ik schaamde me zo, dat ik dan maar deed alsof die plaats me uiteindelijk niet echt interesseerde.

 

11)Ik vond dat ik heel dom had gedaan door die vraag om hulp te stellen.

 

12)Ik nam me voor een volgende keer zonder ‘lange arm’ te solliciteren.

 

13)Dan doe ik er misschien wat langer over om een geschikte baan te vinden, maar ja...