Indeling en gebruik
Indeling
De Richtlijn 89/686/EEG vertrekt voor de indeling van de P.B.M.
van drie categorieën, waarvan er slechts twee uitdrukkelijk in de
richtlijn worden vermeld, met een opsomming van de P.B.M. die tot
deze categorieën behoren. Hieruit mag men logischerwijze afleiden
dat alle P.B.M. die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn
vallen, maar niet tot één van beide categorieën behoren, deel uitmaken
van de andere groep.
De twee categorieën P.B.M. die door de richtlijn exhaustief worden
opgesomd, worden respectievelijk aangeduid als "eenvoudig ontwerp"
en "complex ontwerp". De P.B.M. van eenvoudig ontwerp worden geacht
te beschermen tegen een relatief laag risico, terwijl deze van complex
ontwerp beschermen tegen risico's die de dood of een blijvend letsel
tot gevolg zouden kunnen hebben. De niet expliciet vermelde categorie
omvat dus een intermediaire groep. In de praktijk zijn echter de
benamingen P.B.M. categorie I (= eenvoudig ontwerp), categorie II
en categorie III (= complex ontwerp) ingeburgerd.
Deze indeling is gerechtvaardigd en logisch omdat ook de goedkeuringsprocedures,
die aan het op de markt brengen moeten voorafgaan, op deze indeling
berusten. De eisen die in deze procedures beschreven zijn, worden
strenger naarmate men naar een hogere categorie gaat. Toch zitten
hier ook een aantal zwakheden en tegenstrijdigheden in, die het
gebruik van de richtlijn niet altijd eenvoudig maken.
Zo zijn bijvoorbeeld kogelvrije vesten, die bij geldtransporten
gedragen worden, P.B.M. van categorie II, omdat zij niet expliciet
in de lijst van categorie III zijn opgesomd. Nochtans is het voor
iedereen duidelijk dat zij beschermen tegen een risico dat de dood
of een blijvend letsel tot gevolg kan hebben. Ook de begrippen eenvoudig
en complex ontwerp zijn niet altijd erg relevant. Zo kan men een
stofmasker (categorie III) bezwaarlijk van een complexer ontwerp
beschouwen als een lasscherm met automatisch veranderende beschermingsgraad
(categorie II). Een ander probleem vormt de enorme variëteit van
mogelijke risico's die in het begrip "chemische stof" besloten ligt.
Met uitzondering van handschoenen tegen verdunde detergenten (categorie
I), zouden alle kleding, handschoenen, schermen, enz. tegen chemische
risico's in categorie III moeten worden ondergebracht. Men kan echter
moeilijk stellen dat smeermiddelen, die in garages worden gebruikt,
een risico voor dood of blijvende verminking inhouden, zoals dat
wel het geval is voor sterk giftige of corrosieve chemicaliën.
Ondanks deze onvolkomenheden is de indeling in categorieën behoorlijk
hanteerbaar, zeker nadat de Europese Commissie op een aantal vlakken
verduidelijking heeft gebracht. Een volledige herziening van de
richtlijn, waarbij categorie II vermoedelijk zal komen te vervallen,
is in het vooruitzicht gesteld voor binnen een vijftal jaren.
Tot de categorie I,
P.B.M. van eenvoudig ontwerp, die moeten beschermen tegen zeer geringe
risico's waarvan het effect gradueel is en tijdig kan worden opgemerkt,
behoren o.a.:
- P.B.M. die beschermen tegen mechanische factoren die slechts
oppervlakkige letsels kunnen veroorzaken (tuinhandschoenen,
vingerhoeden ...);
- P.B.M. die beschermen tegen relatief onschadelijke schoonmaakmiddelen
(handschoenen tegen detergenten in verdunde oplossing);
- P.B.M. ter bescherming tegen temperaturen < 50 °C; kleding
of aanverwante artikelen ter bescherming tegen weersomstandigheden,
die niet extreem of uitzonderlijk zijn; bescherming tegen kleine
stoten en schokken; zonnebrillen.
Bij het falen van de bescherming door een PBM categorie I kan
een gering en oppervlakkig letsel optreden.
In de categorie II,
waarvan de richtlijn geen opsomming maakt, zijn een groot aantal
P.B.M. onder te brengen:
- veiligheidshelmen;
- veiligheidsbrillen;
- veiligheidsschoenen;
- handschoenen en kleding tegen mechanische risico's;
- lasserkleding;
- hoge zichtbaarheidskleding;
- gehoorbescherming.
Tot de categorie III behoren de P.B.M. van complex ontwerp, die bescherming bieden tegen
dodelijke risico's of risico's voor blijvende verminking of gezondheidsschade.
Zoals:
- bescherming tegen hitte, vuur en spatten van gesmolten materialen
(> 100 °C);
- bescherming tegen extreme koude (-50 °C); Nota: het begrip
hoge of lage temperatuur is hier op te vatten als een reële
temperatuur, d.w.z. zoals ze door de persoon wordt ervaren,
dus met inachtneming van bijvoorbeeld het afkoelingseffect van
de wind.
- bescherming tegen het vallen;
- bescherming van de ademhalingswegen (alle types);
- bescherming tegen elektrische risico's;
- bescherming tegen chemische producten of tegen ioniserende
straling.
Gebruik
Het Koninklijk Besluit van 7 augustus 1995 (B.S. 15/09/1995 )
betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen is
grotendeels de omzetting van de Europese richtlijn 89/656/EEG van
30 november 1989 naar de Belgische Wetgeving. Op zich is deze laatste
richtlijn een uitvoeringsrichtlijn van de Kaderrichtlijn 89/391/EEG
betreffende maatregelen ter verbetering van de veiligheid en de
gezondheid van de werknemers op het werk.
De werkgever is ertoe gehouden de risico's inherent aan de arbeid
op te sporen en de nodige materiële maatregelen te treffen om hieraan
te verhelpen. Wanneer de risico's niet uitgeschakeld kunnen worden
aan de bron of niet voldoende beperkt kunnen worden met maatregelen,
methodes of procédés op het gebied van de arbeidsorganisatie of
met collectieve technische beschermingsmiddelen moeten de P.B.M.
worden gebruikt. De bijlage I van dit besluit bevat een indicatief
schema voor de inventarisatie van de risico's met het oog op het
gebruik van P.B.M. zoals hierboven weergegeven.
Eisen gesteld aan PBM
P.B.M. moeten algemeen aan volgende eisen voldoen:
- geschikt zijn voor de te vermijden risico's, zonder zelf een
vergroot risico in te houden;
- beantwoorden aan de heersende omstandigheden op de arbeidsplaats;
- afgestemd zijn op de vereisten met betrekking tot de ergonomie,
het comfort en de gezondheid van de werknemer;
- na de nodige afregeling geschikt zijn voor de drager.