Maskers
1. Definitie van Maskers als
persoonlijke beschermingsmiddelen.
Het inademen van giftige of schadelijke stoffen kan zowel op korte
als op lange termijn schadelijke gevolgen hebben. Het feit dat silicose
en asbestose de frequentst voorkomende beroepsziekten in België
zijn is een duidelijk voorbeeld van dergelijke langetermijngevolgen.
Adembescherming is verplicht als er kans bestaat op het inademen
van schadelijke stoffen of als er te weinig zuurstof (minder dan
20%) aanwezig is. Nevenstaand pictogram verplicht tot het dragen van maskers
als P.B.M.
Bestaat er kans op het inademen van schadelijke stoffen dan moet
de lucht worden gefilterd, bijvoorbeeld door een stofmasker. Bij
deze vorm van bescherming filteren we de omgevingslucht. Adembescherming
is (in deze situatie) verplicht als de Maximaal Aanvaardbare Concentratie
(grenswaarde) van gas, damp, nevel of stof wordt overschreden. Als
er te weinig zuurstof aanwezig is helpt filteren natuurlijk niet.
In dit geval is een zogenaamde onafhankelijke adembescherming noodzakelijk.
De lucht komt dan uit een slang of uit cilinders. Deze vorm van
bescherming is dus onafhankelijk van de omgevingslucht; schone lucht
of zuurstof komt niet uit de omgeving waarin wordt gewerkt maar
komt van buitenaf.
1.1. Zuiveren van de omgevingslucht.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
- Stoffilters: deze voorkomen dat men schadelijke stoffen inademt.
- Gasfilters: deze voorkomen dat men schadelijke gassen of dampen
inademt.
- Combinatiefilters: dit zijn combinaties van gas- en stoffilters.
Er wordt onderscheid gemaakt in onderhoudsvrije filters, onder
andere stofmaskers en verwisselbare filters, bijvoorbeeld te gebruiken
in halfgelaat- of volgelaatmaskers. Van groot belang is het juiste
filter in te zetten tegen de aanwezige verontreiniging.
1.2. Stoffilters.
De meest eenvoudige stoffilters zijn de zogenaamde 'snuitjes'.
Deze bieden echter alleen bescherming tegen grof (P0) en ongevaarlijk
stof (P1).
 |
P0 |
groffilters |
| P1 |
fijnfilters voor hinderlijke stof |
Stoffilters zijn er in vier typen:
| P0 |
groffilters |
| P1 |
fijnfilters voor hinderlijke stof |
| P2 |
fijnfilters voor schadelijke stof |
| P3 |
fijnfilters voor giftige stof |
1.3. Gasfilters.
Gasfilters zijn gevuld met een filtrerend medium dat de verontreinigende
bestanddelen in de lucht fysisch of chemisch bindt. Meestal is dit
medium actieve kool.
De werking van een gasfilter kan best begrepen worden als men
hem zich voorstelt als een opeenstapeling van een groot aantal fijne
lagen. De luchtstroom verloopt loodrecht op deze lagen vanuit de
omgeving (verontreinigde lucht) naar de binnenkant van het masker
(zuivere lucht). De verontreinigde luchtstroom zal eerst de buitenste
koollaag verzadigen. Verderop in de filter zullen de koollagen steeds
minder verontreiniging bevatten. De verzadigde laag wordt ook wel
dode laag genoemd, terwijl de gedeeltelijk verzadigde lagen een
actief front vormen. Naarmate meer verontreinigde lucht wordt gezuiverd
schuift dit actieve front steeds verder op naar het masker toe.
Op een bepaald ogenblik zal het zelfs buiten de filter treden, die
dan als verzadigd wordt beschouwd. Een dergelijke doorbraak gebeurt
niet plotseling, zodat de concentratie aan verontreinigende stof
in het masker slechts geleidelijk aan gelijk zal worden aan de concentratie
in de omgevingslucht. Dit geeft in een aantal gevallen aan de gebruiker
van het filtermasker een waarschuwing dat zijn filter nagenoeg verzadigd
is.
1.4. Aanpak bij de bron.
Op de werkplek kan de lucht verontreinigd zijn door de aanwezigheid
van stofdeeltjes, rook, nevel, gassen en / of dampen. Preventieve
maatregelen dienen als eerste te worden genomen. Geheel in de lijn
van de Welzijnswet moeten we ook hier te allen tijde proberen dergelijke
situaties te voorkomen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan:
- het vrijkomen van gevaarlijke stoffen voorkomen;
- afzuiging van gevaarlijke stoffen bewerkstelligen.
- gebruik andere, minder schadelijke, stoffen of bekort de tijdsduur,
de frequentie, enz.
Is dit echt niet mogelijk dan zit er niets anders op dan gebruik
te maken van adembeschermingsmiddelen.
1.5. Soorten adembeschermingsmiddelen.
| wegwerpmaskers |
 |
 |
volgelaatsmaskers |
| halfgelaatsmaskers |
 |
 |
persluchtmaskers |
| maskers met filters |
 |
 |
vluchtmasker |
| |
|
 |
verseluchtmaskers |
1.6. Grenswaarde.
Op de lijst, uitgegeven door de Arbeidsinspectie onder Publicatieblad
P145, zijn diverse stoffen terug te vinden met een vermelding van
de maximale aanvaarde concentratie "de grenswaarde" van die stof.
Bij overschrijding van deze waarde op de werkplek dient men ademhalingsbeschermingsmiddelen
te gebruiken. Ook bij lagere concentraties is het dragen van ademhalingsbescherming
aan te bevelen. De grenswaarden worden uitgedrukt in:
- ppm = parts per million = aantal deeltjes verontreiniging
per miljoen deeltjes lucht
- mg/m3 = milligram per kubieke meter
- v/m3 = vezels per kubieke meter
1.7. Nominale Protectie Factor
(NPF)
De mate van bescherming van een stoffilter hangt af van het type:
Filtyertype |
Beschermingsfactor |
FFP1 |
4 |
FFP2 |
10 |
FFP3 |
30 |
De nominale protectiefactor (NPF) geeft de verhouding aan tussen
de concentratie buiten het masker en de concentratie in het masker.
Een hoge NPF biedt een hoge graad van bescherming. Voor het bepalen
van de protectiegraad van een adembeschermingsmiddel moet men de
NPF van het adembeschermingsmiddel en de concentratie schadelijke
stoffen in de omgeving weten.
2. Gasfilterpatronen voor
omgevingsafhankelijke ademhalingstoestellen.
2.1. Werkingsprincipe
De voornaamste elementen rond de kwaliteitseisen voor gasfilterpatronen
en gecombineerde gas/deeltjesfilters zijn terug te vinden in NBN
EN 141. Voor de speciale types AX en SX bestaan ook aparte normen
(EN 371 en 372). Gasfilterpatronen kunnen enkel gebruikt worden
als de omgevingslucht op elk moment voldoende (17 volumepercent)
zuurstof bevat en als de concentratie aan verontreinigend gas of
damp niet boven bepaalde grenzen uitstijgt. Deze grenzen worden
bepaald door de grootte van de filter en door de aard van de verontreiniging
(zie verder).
Gasfilterpatronen zijn gevuld met een filtrerend medium dat de
verontreinigende bestanddelen in de lucht fysisch of chemisch bindt.
Meestal is dit medium actieve kool (behalve voor CO-filters). Actieve
kool wordt verkregen door een speciale thermische behandeling van
houtachtige structuren (b.v. kokosnootschelpen). De resulterende
substantie wordt vooral gekenmerkt door een enorme porositeit. De
zeer fijne kanaaltjes en poriën in de structuur vertegenwoordigen
een enorme inwendige oppervlakte, die toelaat grote hoeveelheden
moleculen te adsorberen aan de wand van deze poriën. Dit is een
louter fysisch fenomeen, zodat grosso modo gesteld kan worden dat
de sterkte van de adsorptiebinding toeneemt naarmate de geadsorbeerde
molecule minder vluchtig is. Anders uitgedrukt: naarmate de geadsorbeerde
stof een hoger kookpunt heeft, zal ze steviger gebonden worden en
omgekeerd. Stoffen met laag kookpunt worden daarentegen slecht geadsorbeerd
door actieve kool. Daarvoor gelden dan ook speciale regels (zie
AX-filters).
2.2. Indeling gasfilterpatronen
naar filtercapaciteit.
Op grond van hun filtercapaciteit worden de gasfilters ingedeeld
in drie grootte-klassen. Het is evident dat deze filters ook zullen
verschillen qua hoeveelheid actieve kool die ze bevatten en in de
concentraties waartegen zij bescherming bieden. Klasse-indeling
van gasfilters naar filtercapaciteit.
Klasse-indeling van gasfilters naar filtercapaciteit.
Klasse |
Te gebruiken tot |
1 |
Max. 1 000 ppm |
2 |
Max. 5 000 ppm |
3 |
Max. 10 000 ppm |
De filters van klasse 3 zijn groter en zwaarder dan de filters
van de klassen 2 en 1. Daar waar filters van klasse 1 meestal gebruikt
worden in combinatie met halfmaskers, zullen klasse 2- en vooral
klasse 3-filters enkel met volgelaatsmaskers gedragen kunnen worden
en dat zowel om ergonomische (hefboomeffect) als om veiligheidsredenen
(ondichtheid van het masker door het gewicht van de filter).
2.3. Indeling gasfilterpatronen
naar aard weerhouden stoffen.
De actieve kool in de gasfilters wordt soms speciaal behandeld,
zodat de filter bepaalde schadelijke stoffen selectief kan vastleggen.
Dit gebeurt door een chemische reactie, die men absorptie noemt
om een duidelijk onderscheid te maken ten opzichte van adsorptie,
wat een louter fysisch verschijnsel is (kleven aan een capillaire
wand).
Op basis van verschillende groepen weerhouden stoffen worden de
filters in verschillende types ingedeeld. Deze types worden aangeduid
met een kenletter en een kenkleur, zodat de filters gemakkelijk
visueel te onderscheiden zijn. De filters van het type A bevatten
niet-geïmpregneerde actieve kool. De andere types bevatten geïmpregneerde
kool, zodat ze op meer selectieve wijze ingezet zullen worden. De
meest voorkomende types filter zijn hieronder weergegeven.
De filters worden dan aangeduid door de kenletter
en het cijfer van de grootte-klasse. Zo wordt bijvoorbeeld een filter
van het type B met een middelgrote opnamecapaciteit aangeduid met
B2. Hij zal voorzien zijn van een grijze band en beschermt tegen
zure gassen en dampen.
| Kenletter |
Kenkleur |
Beschermt tegen |
A |
Bruin |
Organische dampen met kookpunt > 65 graden |
AX |
Bruin |
Organische dampen met kookpunt < 65 graden |
B |
Grijs |
Zure gassen en dampen zoals halogenen, halogeenwaterstofverbindingen,
waterstofcyanide, waterstofsulfide, fosgeen, enz |
E |
Geel |
Zwaveldioxide, waterstofchloride |
K |
Groen |
Ammoniak, amines, hydrazine |
2.4. Filters tegen koolstofmonoxide
(CO).
Koolstofmonoxide of koolmonoxide wordt niet door actieve kool
weerhouden. Het is bovendien reuk- en smaakloos. Daarom werd voor
deze chemische verbinding een specifieke filter ontwikkeld. Daarvoor
wordt gebruik gemaakt van hopcaliet, een katalysatormateriaal dat
vooral uit metaaloxiden bestaat. Hopcaliet katalyseert met behulp
van de zuurstof in de lucht de oxidatie van koolstofmonoxide tot
koolstofdioxide. Het hopcaliet blijft daarbij onveranderd, maar
het wordt wel gepassiveerd (inactief gemaakt) door water.
Een CO-filter wordt daarom in lagen opgebouwd: een laag actieve
kool om andere componenten uit de lucht te filtreren, een laag droogmiddel,
een laag katalysator, een laag absorptiemiddel voor het gevormde
CO2, enz. Tenslotte wordt in deze filters een waarschuwingslaag
ingebouwd die, door geurontwikkeling of door een gevoelige verhoging
van de inademingsweerstand, aangeeft dat de filter verzadigd is.
Door hun complexe opbouw zijn CO-filters erg zwaar en volumineus.
Ze worden daarom enkel met volgelaatsmaskers gebruikt. Meestal worden
ze niet rechtstreeks op het masker geschroefd, maar bevestigd op
een draagstel, dat via een darm met het masker verbonden is. De
CO-filter is grijs gekleurd met een zwarte band.
2.5. Filters tegen organische
stoffen met laag kookpunt.
Organische dampen worden beter door actieve kool gebonden naarmate
ze minder vluchtig zijn. Vluchtige stoffen worden onvoldoende geadsorbeerd
in klassieke filters van het A1- of A2-type. Bovendien moet hier
ook rekening gehouden worden met desorptieverschijnselen. De geadsorbeerde
stoffen migreren geleidelijk doorheen het filtermedium en zullen
bij hergebruik van de filter ingeademd worden.
Als enigszins arbitraire maar praktisch werkbare limiet werd 65
°C gekozen als bovengrens voor de stoffen met een laag kookpunt.
Deze substanties worden verder in vier klassen ingedeeld.
Indeling van gevaarlijke substanties in vier groepen
| Groep |
Substanties |
| Groep I |
Stoffen met een grenswaarde <10 mg/m3 of aangeduid
met het gevaarsymbool T+ of T, of die kankerverwekkend zijn. |
| Groep II |
Stoffen met een grenswaarde > 10 ml/m3 of aangeduid
met het gevaarsymbool Xi of Xn. |
| Groep III |
Stoffen waarvoor een filtertype B of K gebruikt
moet worden. |
| Groep IV |
Stoffen waartegen geen filter mag gebruikt worden.
Hier moeten autonome apparaten worden aangewend. |
Als bescherming tegen de stoffen van de klassen I en II wordt
de filter type AX gebruikt. Hierbij gelden wel een aantal beperkingen:
De filters moeten nieuw zijn (d.w.z. door de fabrikant verzegeld)
als men ze begint te gebruiken. Binnen een werkdag van 8 uur mag
men ze meermaals gebruiken op voorwaarde dat de totale gebruiksduur,
zoals hieronder vermeld, niet wordt overschreden.
Voor de stoffen van groep I mag de AX-filter gedurende max. 40
minuten (gecumuleerd) ingezet worden als de concentratie niet meer
dan 100 ml/m3 bedraagt. Bij een concentratie tot 500 ml/m3 bedraagt
de maximale gebruiksduur 20 minuten.
Voor de stoffen van groep II bedragen de inzettijden respectievelijk
60 minuten bij 1 000 ml/m3 en 20 min bij 5 000 ml/m3.
Het gebruik van AX-filters tegen mengsels van verbindingen met
laag kookpunt of tegen deze verbindingen in combinatie met andere
stoffen is verboden. AX-filters kunnen ook als A2-filters gebruikt
worden, maar dan niet tegen stoffen met laag kookpunt.
Het gebruik van de gewone A1- en A2-filters tegen stoffen met
een laag kookpunt is verboden.
2.6. Speciale filters.
Naast de klassieke filtertypes A, AX, B, E, K en CO bestaan er
ook nog enkele speciale filtertypes:
- Hg: tegen kwikdampen.
- NO: tegen stikstofoxiden.
- Reaktor: tegen vluchtige radioactieve verbindingen (b.v. iodium).
SX-filters: ontwikkeld tegen een welbepaalde chemische stof,
door de fabrikant op filter en informatieve nota aangegeven.
2.7. Gecombineerde filters.
Naast de aanwezigheid van schadelijke gassen kan het voorkomen
dat in de omgeving van de werkplek eveneens schadelijke stoffen
in de ademlucht aanwezig zijn. Door gebruik te maken van gecombineerde
filters kunnen zowel stof als gassen uit de ademlucht weggefilterd
worden.
| Filterklasse |
Soort hinder |
Gebruiken tot maximaal: |
| FFP1 |
grofstof
hinderlijk fijnstof |
4x grenswaarde |
| FFP2S |
grofstof
hinderlijke fijnstof
lasrook
houtstof
schadelijk fijnstof
glasvezel
loodstof |
10x grenswaarde |
| FFP2SL |
als FFP2S
olie-nevel
schadelijke aerosolen |
10x grenswaarde |
| FFP3SL |
als FFP2SL
sporen, bacteriën en enzymen
geen asbest |
50x grenswaarde |
Het voorvoegsel FF staat voor 'filtering facepiece'
De toevoeging S staat voor 'solids only'
De toevoeging SL staat voor 'solids en liquids' |
2.8. Hoe lang gaan filters
mee?
Gasfilters worden door de fabrikant verzegeld en verpakt. In hun
oorspronkelijke verpakking blijven ze bruikbaar tot de vervaldatum
die op de filterdoos is aangegeven.
Deze bedraagt:·
- 5 jaar voor de A-filters;
- 4 jaar voor de B-filters en de CO-filters;
- 3 jaar voor de E- en de K-filters.
Eens een filter geopend is moet hij binnen de zes maanden verbruikt
worden. De reden hiervoor is dat de luchtvochtigheid door de actieve
kool vastgelegd zal worden. Daardoor vermindert de opnamecapaciteit
van de filter.
In de praktijk zal de gebruiksduur van een filter door een heleboel
factoren bepaald worden, zoals de luchtvochtigheid, de zwaarte van
de arbeid, het luchtdebiet dat doorheen de filter stroomt, de concentratie
aan schadelijke stof, voorafgaandelijk gebruik van de filter, enz.
Meestal gebeurt de doorbraak van de filter niet plotseling. Indien
de reuk- of smaakgrens lager ligt dan de gevarengrens is een reuk-
of smaakgewaarwording een bruikbaar criterium voor het vervangen
van de filter. Als dat niet het geval is verdienen autonome apparaten
de voorkeur boven filtermaskers.
2.9. Informatie over filters.
De fabrikanten beschikken over uitgebreide literatuur omtrent
de keuze van geschikte gas- en stoffilters. Hierin kan men voor
meerdere duizenden verbindingen de nodige informatie vinden.