Vrije Universiteit Brussel


Veiligheidsvoorschriften voor externe aannemers

VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSEISEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN BIJ WERKZAAMHEDEN

A. Bij de werken zijn na te leven:

Alle bepalingen op het vlak van veiligheid en gezondheid zoals voorgeschreven in de Belgische wetgeving (ARAB, Codex, AREI enz.) en de Europese richtlijnen en de normen die van toepassing zijn op de werken. Inzonderheid worden de hierna vermelde voorschriften benadrukt:

  1. Algemeen

    • Het KB van 12 augustus 1993 (BS van 28/9/93) betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen (Europese richtlijn 89/655/EEG en wijzigingen).
    • Het KB van 17 juni 1997 (BS van 19/9/97) betreffende veiligheid- en gezondheidssignalering op het werk.
    • De wet van 4 augustus 1996 (BS van 18/9/96) betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
    • Het KB van 18 mei 1994 (BS 24 juni 1994) betreffende de elektromagnetische compatibiliteit (Europese richtlijn 89/336/EEG en wijzigingen).
    • Het KB van 23 maart 1977 (BS van 31/3/77) tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke bepaalde elektrische machines, apparaten en leidingen moeten bieden (Europese richtlijn 73/23/EEG en wijzigingen).
    • Indien van toepassing het KB van 5 mei 1995 (BS van 31/5/95) tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese gemeenschappen inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (Europese richtlijn 89/392/EEG en wijzigingen).
    • Het KB van 19/8/98 (BS van 11/9/98) betreffende de voor de bouw bestemde producten (Europese richtlijn 89/106/EEG).
    • Het KB van 19/12/97 tot wijziging van het KB van 7 juli 1994 (BS van 26/4/95) tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.
    • De Belgische Norm NBN S21-204 - Brandbeveiliging gebouwen - schoolgebouwen.
    • Het KB van 25/1/2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
    • Het KB van 4/5/99 betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen.
    • Het KB van 4/5/99 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen en heffen van lasten.
    • Het KB van 11/1/93 tot regeling van de indeling, de verpakking en de kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan.
    • Indien stellingen gebruikt worden dienen deze conform te zijn met art. 434 en volgende van het ARAB.
    • De exploitatievoorwaarden opgelegd door het Brussels Instituut voor Milieubeheer.
    • De Brusselse ordonantie betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen (7/3/91).
    • Indien van toepassing: de voorschriften opgenomen in artikel 148 decies van het ARAB (bv bij het verwijderen van asbesthoudende materialen zoals bv verluchtingskokers in asbestcement).
    • Indien van toepassing: de verwijdering van asbesthoudende materialen dient uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de exploitatievoorwaarden die zullen opgelegd worden door het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM).
    • De gebruikte isolatiematerialen dienen asbestvrij te zijn.
    • De nodige veiligheidsmaatregelen dienen getroffen te worden door de aannemer om te beletten dat hinder ontstaat bij het uitvoeren van de werken.
    • De nodige veiligheidsmaatregelen dienen getroffen te worden om te voorkomen dat onbevoegden zich toegang kunnen verschaffen tot de werf.
    • Alle individuele en collectieve veiligheidsmaatregelen voor het veilig uitvoeren van de werken dienen getroffen te worden door de aannemer.
    • De nodige veiligheidsmaatregelen die voor de omgeving vereist zijn moeten genomen worden: bv
      • veiligheidszone afbakenen
      • de vereiste wegsignalisatie aanbrengen
      • afscherming van gegraven putten en sleuven
      • hekwerk om een veiligheidszone af te bakenen
      • beschermde doorgangen voor voetgangers: hekwerk om op de begane grond een veiligheidszone af te bakenen.
      • afbraakzone stofvrij afschermen van de overige in gebruik zijnde lokalen.
    • Indien hefwerktuigen gebruikt worden, dient voor de aanvang van de werken het controleverslag van het hefwerktuig, opgesteld door het wettelijk erkend organisme, voorgelegd te worden.
    • Door het indienen van zijn offerte erkent de aannemer zich bekwaam: tot het toepassen van de wettelijke bepalingen betreffende veiligheid en gezondheid waaronder het ARAB, de Codex, het AREI, de sociale wetgeving en de Europese richtlijnen terzake; tot het naleven en toepassen van de door de opdrachtgever gestelde veiligheidsvoorwaarden; om bij het opstellen van zijn offerte voldoende rekening te houden met de invloed van de vooraf ter beschikking gestelde of verkregen veiligheidsinformatie op zijn prijzen en bij ontstentenis van deze informatie dit later niet op de opdrachtgever te verhalen.
  2. Aanvullende bepalingen betreffende doorvoeringen door wanden
    • De doorvoeringen van leidingen (fluïdum - metaal/kunststof en kabels) doorheen brandwerende bouwelementen (plafonds, compartimenteringswanden, muren die technische lokalen en evacuatiewegen begrenzen, enz. ...) dienen brandwerend uitgevoerd overeenkomstig de proefverslagen van de weerstand tegen brand (NBN 713-020).
    • De brandwerende afdichtingen dienen dezelfde weerstand tegen brand te hebben als de brandwerende bouwelementen
  3. Aanvullende bepalingen betreffende dakbedekkingen - laswerkzaamheden
    • Bij het uitvoeren van laswerken of aanbrengen van warme dakbekleding dient de aannemer de nodige brandblusmiddelen (poederblusapparaten) ter plaatse te brengen. De brandblusapparaten moeten onmiddellijk kunnen gebruikt worden.
    • De eindlaagmaterialen van de dakbedekking dienen m.b.t. de reactie bij brand te behoren tot de klasse A1 (bijlage 5 - KB van 7/7/94 - basisnormen brandveiligheid).
  4. Aanvullende bepalingen betreffende brandwerende wanden
    • De al dan niet verticale bouwelementen die twee volumes scheiden dienen een brandweerstand te hebben overeenkomstig het KB van 19/12/97 tot wijziging van het KB van 7/7/94 betreffende de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing.
    • De brandwerende wanden met gipskartonplaten of fibersilicaatplaten dienen geplaatst overeenkomstig het proefverslag van de weerstand tegen brand.
    • Brandwerende omhullingen dienen geplaatst overeenkomstig het proefverslag van de weerstand tegen brand (NBN 713-020).
  5. Aanvullende bepalingen betreffende brandwerende deuren en ramen
    • De aannemer dient erkend te zijn door het Ministerie van Binnenlandse zaken als "plaatser van brandwerende deuren".
    • Na beëindiging der werken bevestigt de plaatser het "plaatsingslabel" op de BENOR deur.
    • De brandwerende deuren dienen geleverd en geplaatst overeenkomstig een BENOR/ATG-attest (doorlopende technische goedkeuring) van de weerstand tegen brand (NBN 713-020).
    • De geleverde branddeuren en beglaasde ramen dienen een weerstand tegen brand te hebben overeenkomstig de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing (KB 19/12/97 - KB 7/7/94).
    • Onder een brandwerende deurvleugel is enkel een harde en vlakke vloerbekleding (tegels, parket, beton, linoleum) toegelaten. De brandwerende deurvleugels mogen op normale wijze gearmschaafd en/of aangepast worden tot een maximale materiaalafname van 3 mm. Elke andere onvermijdelijke aanpassing moet door de fabrikant van de branddeuren uitgevoerd worden.
    • De brandwerende beglaasde ramen dienen geleverd en geplaatst overeenkomstig een attest van de weerstand tegen brand (NBN 713-020).
  6. Aanvullende bepalingen betreffende valse plafonds
    • In de evacuatiewegen, de voor het publiek toegankelijke lokalen en de collectieve keukens hebben de valse plafonds een stabiliteit bij brand van minstens een ½ h.
    • Zij dienen geplaatst overeenkomstig het proefverslag van de stabiliteit bij brand.
  7. Aanvullende bepalingen betreffende de reacties bij brand van de materialen
    • De materialen voor de wanden van lokalen (vloerbekledingen, bekledingen van verticale wanden, plafonds en valse plafonds) van trappen, van de gevels, van de daken, moeten een reactie bij brand hebben overeenkomstig de bijlage 5 van het KB van 19/12/97 tot wijziging van het KB van 7/7/94 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.
  8. Aanvullende bepalingen betreffende de sanitaire installaties
    • De sanitaire installaties dienen conform te zijn met artikel 92 t.e.m. 94 van het ARAB.
    • De classificatie inzake reactie bij brand van de isolatiematerialen van de leidingen dient minstens te behoren tot de klasse A1 volgens bijlage 5 van het KB van 19/12/97.
  9. Aanvullende bepalingen betreffende de hefwerktuigen
    • Het KB van 10/8/98 (BS van 11/9/98) tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29/6/95 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende liften (Europese richtlijn 95/16/EEG); is toe te passen.
    • Het geheel van de schachtdeuren moet gedurende minstens een half uur voldoen aan het criterium van stabiliteit en vlamdichtheid, overeenkomstig de norm NBN 713-020.
    • De CE-markering moet duidelijk zichtbaar in iedere liftkooi worden aangebracht.
    • ARAB titel III, hoofdstuk I, afdeling II wordt hier speciaal benadrukt.
  10. Aanvullende bepalingen betreffende de elektrische installaties
    • De cilindersloten op de deuren van de elektrische borden dienen verplichtend van het type RONIS 2432 E te zijn.
    • Het afschakelvermogen (kA) van de te plaatsen beveiligingen dient ten minste gelijk te zijn aan de te verwachten kortsluitstroom op de plaats waar de beveiligingsapparatuur is aangebracht (volgt uit de kortsluitstroomberekening).
    • De installateur dient de te verwachten kortsluitstroom te berekenen voor elk bord.
    • De veiligheidsverlichting moet voldoen aan art. 6.5.4 van het KB van 19/12/97 - Basisnormen brandveiligheid.
    • De installatie van de veiligheidsverlichting dient uitgevoerd conform de normen NBN C 71-100, NBN L 13-005 en NBN C71-598-222.
    • De veiligheidsverlichtingstoestellen moeten uitgerust zijn met een automatisch zelftestsysteem d.m.v. een ingebouwde microprocessor. Het verlichtingstoestel test zichzelf door maandelijks een autonomietest van l uur uit te voeren. De werking wordt aangegeven d.m.v. LED's.
    • De elektrische installaties (laagspanning en hoogspanning) dienen, alvorens ze in werking gesteld worden, onderworpen aan een gelijkvormigheidsonderzoek inzake de reglementaire voorschriften (AREI).
    • Het gelijkvormigheidsonderzoek dient uitgevoerd door een wettelijk erkend controleorganisme naar keuze van het opdrachtgevend bestuur.
    • Bij de uitrusting van de elektrische borden dient rekening gehouden met:
      • de beschermingsmaatregelen tegen onrechtstreekse aanraking (art. 80 v/h AREI). De goede keuze en instelling van de beveiligingstoestellen hangt af van het aardingssysteem van het voedingsnet en de impedantie van het voedingsnet;
      • de beschermingsmaatregelen tegen overbelasting en kortsluiting. Dit is van groot belang bij de keuze van de beschermingstoestellen.
      • de te verwachten kortsluitstroom (kA) in het elektrisch bord.
    • Het afschakelvermogen van de te plaatsen beveiligingen dient ten minste gelijk te zijn aan de te verwachten kortsluitstroom op de plaats waar de beveiligingsapparatuur is aangebracht. De installateur dient de te verwachten kortsluitstroom te berekenen.
  11. Aanvullende bepalingen betreffende koude en warme kamers.
    • De elektrische uitrusting van de koelinstallatie dient te voldoen aan de norm EN 60 204-1.
    • Een werkschakelaar conform de norm EN 60204 (vergrendelbare scheidingsschakelaar) dient voorzien bij de buitenunit.
  12. Aanvullende bepalingen betreffende verwarming, verluchting (HVAC)
    • Alle motoren zijn te beveiligen tegen overbelasting en kortsluiting.
    • Een scheidingsinrichting (werkschakelaar) dient voorzien te worden nabij de afzuiggroepen teneinde de machine van het net af te zonderen ten behoeve van onderhoud, herstelling en buitendienststelling.
    • De handbediende scheidingsschakelaar dient als volgt uitgevoerd:
      • met zichtbare of equivalent zichtbare onderbreking van alle actieve geleiders;
      • slechts twee standen aangeduid O en I;
      • vergrendelbaar in O-stand;
      • afgeschermd tegen onvrijwillig inschakelen;
      • gemakkelijk bereikbaar opgesteld.
    • Drukvaten van eenvoudige vorm dienen te voldoen aan het KB van 11 juni 1990 (Europese richtlijn 87/404/EEG en wijzigingen).
    • Drukapparatuur dient te voldoen aan de Europese richtlijn 97/23/EEG.
    • Brandkleppen dienen m.b.t. de criteria stabiliteit, vlamdichtheid en thermische isolatie; evenals m.b.t. de bediening te voldoen aan de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing, zoals reeds opgenomen onder punt 1. De vermelde brandkleppen dienen conform te zijn aan de Belgische norm NBN 713-020.
  13. Aanvullende bepalingen betreffende de inrichtingen waar radionucliden of toestellen dewelke ioniserende stralingen uitzenden, gebruikt worden.
    • De inrichtingen dienen derwijze opgevat dat voldaan wordt aan de bepalingen van het KB van 28 februari 1963 betreffende de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.
  14. Aanvullende bepalingen betreffende gastoestellen.
    • Gastoestellen zijn in overeenstemming met het KB van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen.
    • Vooraleer de gasinstallatie in gebruik genomen wordt, dienen de leidingen onderworpen aan een drukproef, uitgevoerd door een erkend controleorganisme.
  15. Aanvullende bepalingen betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen.
    • Het KB van 31/12/92 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen - fabricatie PBM's (Europese richtlijn 89/686/EEG) is toe te passen.
    • Het PBM moet een CE-markering dragen.
  16. Aanvullende bepalingen betreffende installaties voor automatische branddetectie en brandalarm.
    • De installatie moet voldoen aan NBN S21-100.
    • De branddetectiecentrale met detectoren dienen BVVO goedgekeurd.
    • De branddetectiecentrale, detectoren enz. dienen voorzien van het conformiteitslabel ANPI-NVBB

B. Te bezorgen documenten

De aannemer/installateur verbindt zich ertoe de volgende documenten af te leveren indien van toepassing:

  1. Vóór de aanvang van de werken

    • De proefverslagen van de weerstand tegen brand van brandwerende bouwelementen, overeenkomstig te norm NBN 713-020 en opgemaakt door een erkend Belgisch laboratorium.

    • De proefverslagen van de weerstand tegen brand van de brandwerende buis- en kabeldoorvoeringen overeenkomstig de norm NBN 713-020 en opgemaakt door een erkend Belgisch laboratorium.
    • De proefverslagen van de weerstand tegen brand van de brandkleppen, overeenkomstig de NBN 713-020 en opgemaakt door een erkend Belgisch laboratorium. De proefverslagen van de reactie bij brand van de isolatiematerialen respectievelijk van de materialen voor de wanden van lokalen, trappen, gevels, daken; opgemaakt door een erkend laboratorium.
    • Een berekeningsnota van de te verwachten kortsluitstroom op de plaats van opstelling van het elektrisch materiaal. Uit deze nota moet blijken dat de elektrische installatie beveiligd is tegen kortsluiting, overbelasting en indirecte aanraking.
    • Het attest van erkend plaatser van brandwerende deuren.
    • Het BENOR-attest van de te plaatsen branddeuren.
    • Het controleverslag van de hefwerktuigen opgesteld door het wettelijk erkend organisme. De veiligheidsinformatiebladen (MSDS) conform art. 12 van het KB van 11/1/93 betreffende indeling, verpakking, kenmerken van gevaarlijke preparaten.
  2. Vóór de voorlopige oplevering
    • Een attest vermeldende dat de geleverde materialen en goederen evenals de uitgevoerde werken beantwoorden aan de geformuleerde vereisten inzake veiligheid en hygiëne (art. 8.2 van het KB van 12/8/93 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen).
    • Het proces-verbaal van gelijkvormigheid van de elektrische installaties overeenkomstig de voorschriften van het AREI (art. 270) en opgemaakt door een erkend organisme.
    • Het proces-verbaal van de eventuele drukproef op de leidingen van de gasinstallatie, uitgevoerd door een erkend controleorganisme.
    • De EG-verklaringen van overeenstemming met de verschillende vigerende Europese richtlijnen.
    • De gebruiksaanwijzing
      • Opgesteld in de Nederlandse taal betreffende de werking, de installatie, de gebruikswijze, de inspectie en onderhoud van de apparatuur of installatie. De inlichtingen betreffende de veiligheidstoestellen moeten bij deze instructies gevoegd worden.
      • De gebruiksaanwijzing moet de tekeningen en schema's bevatten die noodzakelijk zijn voor de inbedrijfstelling, het onderhoud, de inspectie, de controle van de goede werking, en de eventuele reparatie van de apparatuur of installatie alsmede alle dienstige aanwijzingen, met name op veiligheidsgebied.
    • Het plaatsingsattest van de BENOR-deuren.
    • Een verklaring van eindcontrole overeenkomstig bijlage VI van het KB van 10/8/98 betreffende liften, opgesteld door een aangemelde instantie.
    • Het verslag van de opleveringsproeven van de branddetectieïnstallatie, uitgevoerd volgens de NBN S21-100 en opgemaakt door het uitgerust organisme NVBB.

Hoger vermelde documenten dienen overgemaakt aan:

VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL
INTERNE DIENST PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK
Pleinlaan 2
1050 BRUSSEL

verantwoordelijke: G. De BackerTerug naar boven

©2007 • Vrije Universiteit Brussel • Pleinlaan 2 • 1050 Elsene • Tel.: 02/629.21.11 • info@vub.ac.be