Worldviews Discussion Paper

De structuur van de werkelijkheid
Over het verband tussen emergentie, doelgerichtheid en zingeving

Hubert Van Belle

1. De wereld als organisatie

In deze bijdrage wordt een "proeve van wereldbeeld" voorgesteld. Daarbij richten we onze aandacht vooral op de vraag hoe de materie zich organiseert, de algemene structuren die ontstaan, de mechanismen die hierbij werkzaam zijn en de lijn die in de evolutie te onderkennen is. De opbouwende en afbrekende verschijnselen en de levenscycli die ermee samengaan kunnen hierbij niet genegeerd worden. Dit is eveneens het geval voor het doorgroeien naar hogere niveaus van de werkelijkheid. In deze tekst zal de organisatie als metafoor voor de wereld naar voor geschoven worden. Een organisatie is een doelgericht systeem en bestaat uit een aantal elementen die zodanig met elkaar samenspelen dat bepaalde doelstellingen nagestreefd worden. Een bedrijf dat winst tracht te maken om daarmee zijn voortbestaan te garanderen is een voorbeeld van een dergelijke organisatiestructuur. De drang om zich te bestendigen of te overleven speelt een voorname rol in het doelgericht gedrag van organisatiestructuren.

We bekijken de werkelijkheid in deze tekst gebruik makend van het denkkader van de systeemtheorie en de organisatieleer. Ook begrippen uit o.m. de cybernetica of stuurkunde, informatica en thermodynamica komen daarbij aan bod. Dit mag de lezer niet afschrikken. De gebruikte begrippen zijn immers vrij eenvoudig en zullen met voorbeelden uit het dagelijkse leven geïllustreerd worden. Het toepassen van deze disciplines bij het afleiden van een wereldbeeld is niet toevallig. Het gaat om zeer algemene theorieën die in uiteenlopende domeinen toepasbaar zijn. Ze richten zich immers vooral op de structurele en functionele kenmerken van de onderzochte systemen en maken abstractie van de niet-essentiële specialistische aspecten. Bovendien gelden ze voor complex samengestelde gehelen en ingewikkelde processen. Deze toegepast-wetenschappelijke benaderingen hebben hun waarde bewezen bij het oplossen van veel gecompliceerde technisch-organisatorische problemen die de huidige technologische wereld stelt. Het "beheersen van complexiteit" is immers de voornaamste uitdaging van het modern technisch-wetenschappelijk denken. We zijn er dan ook van overtuigd dat hun instrumentarium met succes op de eveneens zeer complexe wereldbeeldenproblematiek kan toegepast worden.

Is het wel mogelijk om iets betekenisvol te zeggen over de zeer complexe en gediversifieerde werkelijkheid? Spijts post-modernistische visies en chaostheorieën, staan de dingen niet volledig los van elkaar en zijn de verschijnselen niet helemaal onvoorspelbaar. Het is duidelijk dat er een zekere samenhang en continuïteit bestaat. Niet alles blijkt willekeurig, uniek en nieuw te zijn. De mens kan een aantal in ruimte en tijd terugkerende patronen onderkennen. Er bestaan bepaalde structuren en de gebeurtenissen vertonen zekere verbanden. Hierdoor wordt het mogelijk om wetten te formuleren en de wereld op een compacte manier te beschrijven. Zelfs in de veranderingen kunnen onveranderlijke elementen, invarianten genoemd, ontdekt worden. Men kan een vrij grote eenheid in de verscheidenheid en een globale lijn in de ontwikkelingen ontdekken. De structuren en gedragspatronen in de verschillende regio’s en niveaus van de werkelijkheid vertonen een grote overeenkomst. Er blijken gelijkaardige organisatieprincipes te gelden en er worden analoge evoluties doorlopen. Deze vaststellingen vormen de sleutel tot een rationele methode voor het afleiden van wereldbeelden. Door abstractie en generalisatie tracht men algemeen geldende structurele eigenschappen op te sporen. Daarbij dient men zowel de natuurwetenschappen als menswetenschappen te betrekken en met elkaar in verband te brengen. De barrière tussen beide domeinen is o.i. niet onoverkomelijk. Het doelstellingsbegrip kan als brug tussen de verschillende wetenschappen fungeren. Dit alles betekent niet dat we ons niet bewust zijn van de beperkingen van de rationele methodes en van de organisatorische visie op de werkelijkheid.

2.De gelaagde werkelijkheid

De meest fascinerende veranderingsprocessen doen zich voor in de biosfeer, de dunne laag rond de aarde waarin het leven zich in al zijn vormen ontplooit. Schijnbaar tegen de entropiewet in ontwikkelden en ontwikkelen zich zeer diverse organismen, levende wezens en organisaties. Deze organisatiestructuren zijn in voortdurende competitie en volgen de meest vernuftige strategieën om te overleven, zich te verspreiden en hun voortbestaan als soort te garanderen. De evolutie van het leven op aarde wordt door veel wetenschapsmensen gezien als het resultaat van een reeks van toevalligheden en een selectieproces waardoor de fitste, de meest competitieve en aan hun omgeving aangepaste soorten, overleven. De exacte wetenschap wijst een doelgerichte evolutie, in de zin van (externe) teleologie en finaliteit, met klem af. Wat er is moest er niet noodzakelijk komen en er bestaat geen plan en geen bedoeling. Het gedrag van organisatorische structuren zoals levende wezens blijkt echter niet volledig in de causale wetten van de fysica te vatten. O.m. in hun streven om zich te bestendigen vertonen ze een zeer doelgericht gedrag. Worden de organisatiestructuren op een complexiteitsschaal en in de tijd gerangschikt dan kan men een evolutie naar een toenemende complexiteit vaststellen. Er duiken daarbij tal van eigenschappen op, emergente eigenschappen genoemd, die op lager niveau niet voorkomen en volledig nieuw schijnen. Deze eigenschappen lijken moeilijk exact wetenschappelijk en reductionistisch, d.w.z. alleen door elementaire wetten, verklaarbaar.

De complexe organisatiestructuren en hun gedrag, levenscycli en evolutie krijgen steeds meer aandacht. Dergelijke systemen blijken zich ver van het natuurlijk evenwicht te bevinden en hiërarchisch opgebouwd te zijn. In de synergetica, de leer van de complexe systemen, wordt hun gedrag en evolutie bestudeerd. Men zoekt de verklaring voor het ontstaan van orde uit wanorde en het lokaal verminderen van de entropie dat ermee samengaat in het dissipatief karakter van deze systemen. Dissipatieve systemen nemen continu hoogwaardige energie op uit hun omgeving en staan ook voortdurend energie in een gedegenereerde vorm af aan de buitenwereld. De patronen in ruimte en tijd die bij dissipatieve systemen kunnen ontstaan worden aan zelforganisatie toegeschreven. Dit verschijnsel kan bijvoorbeeld optreden indien er zich autokatalytische scheikundige processen voordoen die tot een reactielus leiden. De complexe organisatiestructuren vertonen bovendien een niet-lineair gedrag. Dergelijk gedrag wordt in sommige omstandigheden gekenmerkt door plotse sprongen, onverwachte veranderingen van evolutierichting en /of onvoorspelbare ontwikkelingen die zeer gevoelig zijn voor toestandsveranderingen. Men heeft het respectievelijk over catastrofes, bifurcaties en chaotisch gedrag en stelt dat het leven zich op de rand van de chaos bevindt. De evolutie van het leven kan gezien worden als het laag per laag opbouwen van de steeds complexer wordende organisatiestructuren. De onderliggende niveaus vormen de basis voor de ontwikkeling van de hogere lagen van de werkelijkheid.

Er groeit een beeld van de werkelijkheid als een netwerk van relaties met een gelaagde structuur. Dit doet ons aan een persoonlijke computer (P.C.) met zijn hardware- en softwarelagen denken. Men kan volgende lagen onderscheiden:

Analoog aan hardware en software kunnen de diverse lagen van de werkelijkheid in harde materiële en zachte immateriële lagen ingedeeld worden. De harde laagste lagen zijn opgebouwd uit fysische elementen die een hiërarchische structuur vormen. Achtereenvolgens vindt men bijvoorbeeld kwantumdeeltjes, atomen, moleculen, cellen, organen en levende wezens. De hogere lagen met hun zachter karakter groeperen gedragspatronen waarvan de complexiteit eveneens toeneemt als men naar een hoger niveau opklimt. Bovendien worden de regels minder star en neemt de reductionistische onbepaaldheid toe. Er blijkt ruimte te ontstaan voor vrijheid en autonomie.

In deze gestructureerde visie op de werkelijkheid neemt men aan dat de elementen van de onderliggende lagen kunnen gegroepeerd worden tot modules die de bouwstenen van de hogere lagen vormen. De systemen die naar de hogere lagen van de werkelijkheid doorgroeien worden gekenmerkt door een toenemende verwevenheid, orde, complexiteit en organisatiegraad. Naarmate de organisatiegraad toeneemt krijgt de werkelijkheid een steeds immateriëler aard. Ook in de computerwereld wordt software belangrijker dan hardware. Voor het bestuderen van elk van deze lagen maakt de wetenschap gebruik van eigen talen en theorieën. Ook hier kan men vergelijken met de P.C.-wereld waar men o.m. met elektronica, Booleaanse algebra, systeemsoftware (DOS, Windows) en toepassingssoftware (Word, Excel,...) geconfronteerd wordt. Dit wijst erop dat de onderliggende lagen het gedrag van de bovenliggende lagen niet volledig bepalen en er een zekere graad van onafhankelijkheid bestaat. De verschillende lagen kunnen echter niet volledig los van elkaar beschouwd worden. De lagere lagen bieden de mogelijkheidsvoorwaarden voor de ontwikkelingen in de hogere lagen en de processen in de bovenliggende lagen beïnvloeden het gedrag in de onderliggende lagen. Een volledige ontkoppeling van disciplines is dus niet mogelijk en er blijft nood aan grensoverschrijdende multidisciplinaire benaderingen en globale visies.

Zoals reeds opgemerkt werd kan men op een hoger niveau van de werkelijkheid eigenschappen vinden die op de lagere niveaus niet voorkomen er schijnbaar ook niet toe kunnen gereduceerd worden. Men heeft het over emergente eigenschappen zoals leven, zelfbewustzijn, vrije wil en onbaatzuchtig gedrag. De elementaire wetten alleen blijken niet te volstaan om de emergentie te verklaren. De onderliggende lagen bieden wel de mogelijkheidsvoorwaarden voor het gedrag op hoog niveau maar schijnen dit gedrag niet volledig te bepalen. Er blijken daarnaast echter ook universele eigenschappen te bestaan die zich op elk niveau van de werkelijkheid manifesteren. Belangrijk zijn de op bestendiging gerichte gedragspatronen, de opbouw- en afbraakverschijnselen, de neiging tot het degenereren naar lagere niveaus en de aanleg tot het doorgroeien naar hogere lagen. Dit alles leidt tot de levenscycli van allerhande organisatiestructuren zoals sterren, stelsels, levende organismen, soorten, insecten, nesten, dieren, kolonies, kuddes, menselijke wezens, gezinnen, verenigingen, bedrijven, politieke partijen, staten, kerken, culturen, ... Trends, stromingen, modes, scholen, stijlen, opvattingen, overtuigingen, ideologieën, theorieën, technologieën,... vertonen een gelijkaardig verloop.

Zowel bij het bestendigen als doorgroeien van organisatiestructuren schijnen de "feedback-" of terugkoppelingsmechanismen een voorname rol te spelen. Op elk van de niveaus van de werkelijkheid kan men terugkoppelingen in zeer diverse vormen ontdekken. Deze terugkoppelingen zorgen er voor dat bepaalde normen spijts allerhande storingen nagestreefd worden. Een eenvoudig voorbeeld van terugkoppeling is het bijsturen door een fietser van zijn fiets die ten gevolge van een windstoot van de rechte weg afwijkt. Terugkoppelingen werken niet alleen stabiliserend maar kunnen een systeem ook instabiel maken. Een hinderlijk voorbeeld hiervan is het spontaan rondfluiten van een geluidsversterkingsinstallatie. Door een dergelijk mechanisme kunnen toevallige storingen een systeem destabiliseren en naar een hoger niveau van orde voeren waar de stabiliserende terugkoppelingen terug de overhand halen. In het eerste geval werkt de terugkoppeling als meekoppeling die het effect van de storingen versterkt, in het tweede geval fungeert ze als tegenkoppeling die de verstoringen tracht te onderdrukken. Autokatalyse die het ontstaan van complexe moleculen in de biologie verklaart, kan als een meekoppelingsmechanisme beschouwd worden. Er zijn ook tal van tegenkoppelingsmechanismen werkzaam die o.m. de lichaamstemperatuur van levende wezens constant houden. Het terugkoppelingsmechanisme kan dus een verklaring bieden voor zowel ontstaan als het in stand houden van complexe organisatiestructuren.

Bij dit alles stellen zich een aantal fundamentele vragen:

In deze tekst zoeken we in de eerste plaats een verband tussen emergentie, doelgerichtheid en zingeving.

3. De eisen van de totaliteit

In elk van de lagen van de werkelijkheid ziet men organisatiestructuren ontstaan en vergaan. Er groeien verbanden die later verbroken worden. Voor een verklaring van het ontstaan en bestendigen van organisatiestructuren hebben we reeds verwezen naar het terugkoppelingsmechanisme uit de regeltechniek of cybernetica. Het ontstaan van complexe structuren werd ook verklaard door het optreden van dissipatieve processen en zelforganisatie. Men kan daarnaast eveneens een verklaring zoeken in de minimaprincipes. De natuur schijnt economisch om te gaan met energie. Dit beginsel werd het eerst geformuleerd door de Maupertuis als wet van de kleinste actie. Het kreeg later een meer wetenschappelijke basis in het werk van Euler, Lagrange en Hamilton. De organisatiestructuren die zich kunnen bestendigen blijken zich "zuinig" te gedragen en bestand te zijn tegen verstoringen. De materie organiseert zich op een optimale wijze vanuit energetisch oogpunt gezien. Bovendien bestaan er energiebarrières die de organisatiestructuren binnen zekere grenzen beschermen tegen storende invloeden. Na het wegvallen van de storing keren ze spontaan terug naar hun stabiele (of stationaire) uitgangstoestand terug. De noodzakelijke bestendigheid van feedbacksystemen tegen allerhande storende invloeden wordt robuustheid genoemd.

In de materiële lagen van de werkelijkheid gelden de wetten van Newton. Uit deze wetten kan men afleiden dat mechanische systemen in evenwicht zijn indien hun potentiële energie een minimum bereikt. In deze toestand bestaat er geen potentie en neiging tot verandering meer. Bovendien is dit evenwicht stabiel zodat de uitwendige verstoringen tegengewerkt worden. Een bal rolt bijvoorbeeld steeds spontaan een helling af en komt tot uiteindelijk tot rust in het laagste punt waar de potentiële energie minimaal is. Bij een afwijking t.o.v. de evenwichtspositie ontstaat een kracht die de bal naar het laagste punt wil terugvoeren. De aantrekkende massakrachten en afstotende middelpuntvliedende krachten tussen de zon en haar planeten houden elkaar bijvoorbeeld zo in evenwicht zodat er geen gevaar voor het ineenstorten of uiteenvallen van het zonnestelsel bestaat. Men kan dus stellen dat de materie zich zo organiseert dat de potentiële energie (of vrije energie) een minimum bereikt. Dit is niet noodzakelijk een absoluut minimum. Dissipatieve structuren kunnen stabiel blijven ver van hun natuurlijk evenwicht. Deze toestand wordt beschermd door de energiebarrières die als borstweringen van plateaus in het "energielandschap" fungeren. Ze beletten het afglijden van de organisatiestructuren naar een lager niveau van potentiële energie en van organisatiegraad. Zoals reserves beschermen ze de organisatiestructuren tegen slechte tijden.

We kunnen dus concluderen dat om te blijven bestaan de organisatiestructuren:

Dit laatste is zeer duidelijk voor bedrijfsorganisaties maar geldt ook voor allerhande andere organisatievormen.

Er blijkt dus een nauwe relatie te bestaan tussen overlevingsdoelstellingen, het nastreven van normen, feedbackmechanismen en minimaprincipes. Het streven naar een minima van potentiële energie met zijn terugkoppelingseffect maakt het voortbestaan van organisatiestructuren mogelijk. Men kan uit dit alles afleiden dat de minimaprincipes een voorwaarde zijn voor het realiseren van de overlevingsdoelstellingen. Men zou dan ook kunnen stellen dat tengevolge van de minimaprincipes organisatiestructuren een stabiele positie kunnen innemen en zich in stand houden. Bovendien moeten er preferenties, dalen en richels, in het energielandschap bestaan. Organisatiestructuren die geen veilige plaats vinden hebben weinig overlevingskansen.

Het hoeft geen betoog dat de natuurwetten (en natuurconstanten) zo zijn dat ze het ontstaan en behoud van de bestaande structuren mogelijk maken. Er zijn dus "constructieve krachten" aanwezig die tot clustering van de materie leiden en vervolgens de gevormde structuur stabiel houden. Men kan echter ook omgekeerd redeneren en stellen dat de natuurwetten zo horen te zijn dat ze lokaal tot structuratie van de materie kunnen leiden. De organisatiestructuren in de bestaande werkelijkheid moeten eveneens het bestendigen van hun structuur kunnen nastreven. Het algemeen (metafysisch) kader eist dus dat er feedbackmechanismen bestaan en er situaties kunnen ontstaan waarin er geen potentie tot verandering meer is. Men zou hieruit kunnen afleiden dat o.m. de minimaprincipes volgen uit de eisen die de totaliteit stelt. Het is dan ook geen toeval dat men de minimaprincipes in de verschillende takken van de exacte wetenschappen terugvindt. Men kan bijvoorbeeld potentiële energie (of vrije energie) overal zien als een aanwezige potentie tot verandering. De hellingen in het energielandschap veroorzaken krachten en geven aanleiding tot wijzigingen van de structuren. Bereikt men een dal dan is er geen interne aanleiding tot verandering meer. In dit verband kunnen we tenslotte nog opmerken dat energie een zeer algemeen begrip is dat in de verschillende takken van de exacte wetenschap ingevoerd werd en een brug tussen deze vakgebieden slaat.

In de analytische benadering worden systemen beschouwd als opgebouwd uit een aantal onderling verbonden elementen die met elkaar interageren en eventueel ook met de omgeving in interactie zijn. De verbindingen maken de wisselwerking tussen deze elementen onderling en met de omgeving mogelijk. Ze zorgen niet alleen voor de uitwisseling van materie, energie en informatie maar staan ook in voor de structurele samenhang van het geheel. Bij het zoeken naar de constructieve krachten van de werkelijkheid dient men zich dus in de eerste plaats op het gedrag van de verbindingen te richten. De wetten die de verbindingen kenmerken, verbindingsvoorwaarden genoemd, kunnen voor fysische systemen ingedeeld worden in twee soorten. In de mechanica heeft men het bijvoorbeeld over de evenwichts- en verenigbaarheidsvoorwaarden. In feite drukken de verbindingsvoorwaarden de continuïteit in een punt van de ruimte en op een bepaald tijdstip uit. Men weet bijvoorbeeld dat de som van de krachten in een knooppunt gelijk is aan nul en dat de met elkaar verbonden punten een zelfde verplaatsing ondergaan. De evenwichts- en verenigbaarheidsvoorwaarden garanderen bijgevolg respectievelijk het evenwicht en de samenhang van mechanische systemen. Het is daarbij zeer merkwaardig dat de wetten van de mechanica geldig zijn voor de verschillende soorten van krachten. Ze gelden bijvoorbeeld zowel voor gravitatiekrachten als voor elektromagnetische krachten.

Opvallend zijn eveneens de gelijkenissen die tussen de verbindingsvoorwaarden uit de mechanica, elektriciteitsleer, hydraulica, sterkteleer... bestaan. Deze analogieën kunnen een gevolg zijn van de voortrekkersrol die de rationele mechanica als exacte wetenschap in de wetenschapsgeschiedenis speelde en de centrale plaats die door de thermodynamica en het energiebegrip ingenomen wordt. De verbindingsvoorwaarden zijn echter niet uit de wet van energiebehoud, zoals traditioneel geformuleerd, afleidbaar. Men kan ze dan ook toeschrijven aan eisen die het totaliteitskader stelt. De analogie tussen de verbindingsvoorwaarden in verschillende vakgebieden en de mogelijkheid tot het formuleren van een niet-vakgebonden algemene systeemtheorie wijzen immers sterk op het bestaan van algemene principes waaraan de interactie tussen de elementen moeten voldoen. De totaliteit blijkt algemene eisen van continuïteit op te leggen aan de verbindingsvoorwaarden. De verbindingsvoorwaarden dienen een doorlopend verband, een ononderbroken samenhang en aaneensluitende relaties te garanderen die de verschillende delen van een geheel met elkaar in overeenstemming brengt. Om tot een duurzame structuurvorming te leiden moeten de krachten die een rol spelen constructief samenspannen. Dit wijst op structurerende principes die naast de elementaire wetten in de totaliteit werkzaam zijn. Om het bestaan van deze algemene principes aan te tonen richten we onze aandacht in de volgende paragrafen vooral op mechanische structuren zoals gebouwen en constructies en de energetische benadering van de structuurproblematiek.

Worden de paren van verbindingsvoorwaarden met elkaar gecombineerd dan kan men zonder moeite aantonen dat er in een knooppunt geen energie uit het niets ontstaat of in het niets verdwijnt. Op basis hiervan leidt men in de stelling der virtuele arbeid af dat de balans van de energiestromen tussen de elementen en de omgeving sluitend is. De energie die van buiten af toegevoerd wordt, wordt volledig over de elementen van het systeem verdeeld. Deze vaststelling vormt het uitgangspunt van de energetische methodes voor het bepalen van de stabiliteit van mechanische structuren. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan een eenvoudige metalen brug hoofdzakelijk bestaande uit aan elkaar gelaste liggers en dwarsbalken die tengevolge van de belasting van het verkeer doorbuigt. De verbindingen verdelen de krachten over de elementen die vervormen en daarbij weerstand bieden aan de belasting. De stelling der virtuele arbeid stelt dat de energie die door de uitwendige belastingskrachten verricht wordt gelijk is aan de inwendige vervormingsenergie indien de belaste structuur in evenwicht en samenhangend is. Deze stelling legt dus eigenlijk in een regel vast welk verband er bestaat tussen de energie die van buitenaf toegevoerd wordt en de energie die door de elementen van een mechanische structuur opgenomen wordt. Het is belangrijk om hierbij op te merken dat de stelling der virtuele arbeid en de analoge stelling van Tellegen in feite het principe van continuïteit van energie uitdrukken. Het gaat daarbij eigenlijk om een speciale vorm van energiebehoud. In de eerste hoofdwet van de thermodynamica heeft men vooral aandacht voor het invariantieprincipe dat bij de opslag en transformatie van energie geldt. Men richt zich dus vooral op de toestandsveranderingen die in functie van de tijd optreden. Het continuïteitsprincipe dat de transferten van energie in de ruimte centraal stelt, blijkt veel minder bekend te zijn dan het vorige invariantieprincipe. Het vormt nochtans de hoeksteen van de sterkteleer.

Uitgaande van de stelling der virtuele arbeid en van een bijkomende eis i.v.m. de eigenschappen van de elementen kan men o.m. aantonen dat de vervormingsenergie van een belaste mechanische structuur in stabiel evenwicht minimaal is. Deze bijkomende eis zorgt er eigenlijk voor dat de elementen en de verbindingen constructief samenwerken zodat de mechanische structuur na het verdwijnen van verstoringen naar haar evenwichtspositie kan terugkeren. In het brugvoorbeeld is daartoe vereist dat voor elk van de liggers en dwarsbalken een toename van hun belasting gepaard gaat met een toenemende vervorming. Indien aan deze voorwaarde voldaan is, is de vervormingsenergie van de brug minimaal in een stabiele evenwichtstoestand. Merk op dat er geen eis van lineariteit gesteld wordt. Om de structuur uit haar stabiele evenwichtspositie te brengen is bijkomende energie vereist. Valt deze energietoevoer weg dan keert de structuur spontaan naar haar evenwichtstoestand terug. Men kan ook stellen dat iedere afwijking t.o.v. de stabiele evenwichtspositie tengevolge van een (virtuele) verplaatsing meer energie zou vereisen dan toegevoerd werd. Opnieuw heeft men hier met een minimumprincipe te doen. Dit principe legt eigenlijk een beperking op aan de mogelijke verdelingen van krachten in en verplaatsingen van de knooppunten van de mechanische structuur. Het minimumprincipe drukt dus een vrij algemeen geldende regel i.v.m. de samenhang, het evenwicht en de stabilteit van mechanische structuren uit.

Samenvattend kunnen we bijgevolg stellen dat de wetten die de wisselwerking tussen de elementen van een fysisch systeem bepalen zo moeten zijn dat ze het behoud van structuur mogelijk maken. De verbindingsvoorwaarden voldoen aan de eisen van energiebehoud. Bovendien kunnen de verbindingsvoorwaarden ook tot algemene principes van continuïteit in de ruimte herleid worden. Bij het transport gaat geen energie verloren in de vertakkingspunten en de toegevoerde energie is integraal in de elementen terug te vinden. In de elementen gebeuren omzettingen die eveneens aan wetten van behoud van energie voldoen. Het evolutieproces wordt dan ook gezien als een stroom van toestandsveranderingen ten gevolge van energietransferten, energiestockage en energietransformaties die aan de algemene continuïteits- en invariantieprincipes voldoen. Om tot duurzame structuurvorming te leiden moeten de verbindingsvoorwaarden en de eigenschappen van de elementen op een welbepaalde manier samen spannen. Mechanische structuren met bepaalde types van elementen zijn constructief samenhangend en in stabiel evenwicht indien aan het minimumprincipe voldaan is. In deze visie zou de structuratie van materie uiteindelijk niet volgen uit elementaire specialistische wetten maar uit (metafysische) principes die voor het algemeen kader gelden. De wetten van de fysica blijken dan ondergeschikt te zijn aan en te kaderen in de eisen van de totaliteit.

Men kan zich vervolgens ook afvragen of de totaliteit geen oriëntatie oplegt aan het ganse gebeuren waarbij organisatiestructuren tot ontwikkeling komen en de evolutie daarbij in een bepaalde richting gestuwd wordt. De constructieve krachten die zonder enige twijfel in de werkelijkheid aanwezig zijn manifesteren zich in uiteenlopende vormen en op verschillende niveaus. De interacties tussen de elementen van een systeem vertonen een grote overeenkomst en blijken in bepaalde omstandigheden samen te werken om steeds complexer wordende structuren op te bouwen die in staat zijn om hun voortbestaan te verdedigen. Dit is onmogelijk zonder dat de krachten die hierbij een rol spelen een zekere coherentie en afstemming vertonen. Dit wijst op een coördinerend algemeen principe en doet sterk aan preferenties in de natuur en zelfs aan doelgerichtheid denken. Het is duidelijk dat in de werkelijkheid niet alles kan en dat er naast de natuurwetten bepaalde voorkeuren bestaan die de keuze tussen de mogelijke oplossingen bepalen. Ook zijn de wetten niet willekeurig van aard en moeten ze aan een aantal principes beantwoorden die o.m. het constructieve aspect van de werkelijkheid toelaten. We betwijfelen of we zonder aanname van enig oriënterend of zelfs leidend principe in staat zullen zijn de structuur en coherentie die de werkelijkheid in ruimte en tijd vertoont te verklaren.

4. Emergentie en doelgerichtheid

De studie van niet-lineaire systemen heeft de ogen van de wetenschapsmensen geopend voor de wereld van de complexe verschijnselen. Bij lineaire systemen is het gevolg van een externe beïnvloeding evenredig met de oorzaak. Bij niet-lineaire systemen is dit niet meer het geval en ontstaan er allerhande merkwaardige gedragspatronen. Zoals reeds opgemerkt werd, wordt men bijvoorbeeld geconfronteerd met plotse sprongen indien men met catastrofaal gedrag te doen heeft. In het geval van bifurcaties kan de evolutie verschillende wegen opgaan zonder dat er een voorkeur blijkt. Bij chaotisch gedrag veroorzaken kleine oorzaken zeer grote gevolgen en is de evolutie zeer grillig en niet meer exact reproduceerbaar. Onder bepaalde omstandigheden wordt het gedrag van niet-lineaire systemen dus onvoorspelbaar. Zelfs vrij eenvoudige en deterministische systemen kunnen een gedrag vertonen waarvan de evolutie wel door exacte formules kan weergegeven worden maar praktisch toch onvoorspelbaar blijkt.

Een dergelijke onvoorspelbaarheid doet zich ook voor indien men het gedrag van de hogere lagen van de werkelijkheid uit de eigenschappen van de lagere lagen probeert af te leiden. Men verklaart dit door te stellen dat het geheel groter of meer is dan de som van zijn delen. Eigenlijk zou men beter stellen dat het geheel anders is dan de som van de delen. Dit anders zijn wordt dan toegeschreven aan het onverwacht opduiken van emergente eigenschappen. Deze eigenschappen zijn niet reductionistisch verklaarbaar. Dit kan wezenlijk zo zijn of volgen uit de complexiteit van de problematiek die een reductionistische verklaring in feite onmogelijk maakt. Emergentie kan in verband gebracht worden met het onverwachte, niet gepredetermineerde, echt nieuwe en creatieve in de werkelijkheid. Merk op dat men bij een reductionistische verklaring van het gedrag van systemen gebruik maakt van de analytische methode, de "verdeel en heers" benadering. Het gedrag van een systeem wordt bepaald uitgaande van de eigenschappen van de elementen waaruit het systeem opgebouwd is en de voorwaarden die de verbindingen opleggen. Een systeem is in alle geval meer dan de som van zijn delen. Men dient op zijn minst de interacties in rekening te brengen. Hieruit zou men kunnen afleiden dat de meerwaarde het gevolg is van de onderlinge verbindingen. We hebben er reeds op gewezen dat deze verbindingen voor de uitwisseling van energie tussen de deelsystemen van een systeem instaan maar verder niets mysterieus toevoegen. Dit geldt niet alleen voor de energiestromen maar eveneens voor de materie- en informatiestromen. De verbindingen geven het systeem zijn structuur en zouden samen met de eigenschappen van de delen het gedrag van het geheel volledig moeten bepalen. Zelfs indien het gedrag van de elementen afzonderlijk gekend is en men de verbindingsvoorwaarden invoert slaagt men er echter voor niet-lineaire systemen in de praktijk niet altijd in hun verloop te voorspellen. Het probleem dat emergent gedrag stelt lijkt dan ook ingewikkelder te zijn dan op het eerste zicht blijkt.

Men kan verschillende vormen van emergent gedrag en reductionistische onverklaarbaarheid onderscheiden. In de sterkste vorm is het emergent gedrag vooraf niet voorspelbaar en ook achteraf niet verklaarbaar. Men is niet in staat om dit gedrag uit de karakteristieken van de afzonderlijke delen en van hun interacties af te leiden. Dit kan in wezen of in feite het geval zijn. In een zwakkere vorm is emergent gedrag vooraf niet te voorspellen maar achteraf wel te verklaren. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien het toeval een rol speelt en twee gescheiden ontwikkelingen elkaar onverwacht beïnvloeden. Een toevallige ontmoeting van twee jonge mensen die besluiten om samen door het leven te gaan is hiervan een voorbeeld. Het is duidelijk dat emergent gedrag niet uit de eigenschappen van de afzonderlijke elementen alleen afleidbaar is. Een verklaring voor de meerwaarde van een geheel t.o.v. zijn delen kan beter gezocht worden in de synergetische effecten die het gevolg zijn van interacties tussen de elementen waaruit een systeem opgebouwd is en de verbindingen die er de oorzaak van zijn. Daar deze verklaring niet steeds afdoende blijkt te zijn dient men zich af te vragen of er nog andere factoren spelen en om welke invloeden het zou kunnen gaan. De analytische methode gaat ervan uit dat men het geheel kan opsplitsen in afzonderlijke delen, deze delen vervolgens afzonderlijk mag bestuderen en nadien het geheel volledig in zijn oorspronkelijke staat kan herstellen door de interacties terug in te voeren. De fundamentele vraag die men kan stellen is of er niets ongemerkt verloren gaat bij het verbreken van de banden en het isoleren van de elementen en wat dit wel zou kunnen zijn. Men kan niet ontkennen dat de analytische methode zeer succesvol is, maar indien er zich echt emergente verschijnselen voordoen botsen we toch op de grenzen van deze methode. Eigenlijk zouden we ons moeten afvragen waarom de analytische methode nog zo goed werkt daar geïsoleerde delen in feite abstracties zijn.

Wat kan er verloren gaan bij het analyseren van een geheel en het afzonderlijk beschouwen van de delen? Waar kan men een verklaring voor emergent gedrag dat niet aan de verbindingen te wijten is, vinden? Mogelijke oorzaken van emergentie dient men o.i. extern te zoeken in de context, het globale kader, de eisen van de totaliteit. De context speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij het biljartspel. Met de wetten van de mechanica alleen is men niet in staat om dit spel volledig te verklaren en aan een leek uit te leggen. Daar de wetten van de mechanica nog tal van mogelijkheden open laten en het om een wedstrijd gaat dient men de spelregels in rekening te brengen. Deze regels hebben geen betekenis in het raam van de mechanica. Bovendien is er de wil van de speler om te winnen en zich zo in de competitie te handhaven. Deze problematiek dient dus in een globale context gesteld te worden. In dit verband wordt ook het begrip "downward causation", neerwaartse oorzakelijkheid, naar voor geschoven. De kaken van een dier voldoen niet alleen aan de wetten van de mechanica. Ze moeten ook zo zijn dat het dier in staat is om efficiënt voedsel te verwerven en te verwerken. Deze bijkomende voorwaarde zou men kunnen toeschrijven aan de "struggle for life". O.i. verschijnen hier de overlevingsdoelstellingen en het doelstellingsbegrip terug ten tonele. Zoals reeds betoogd werd is een zekere drang tot voortbestaan eigen aan al het zijnde en volgt in feite uit de bestendigings- of perpetuatievoorwaarde die het globale kader oplegt.

De elementaire wetten bieden de nodige bestanddelen voor het gebeuren maar bepalen de werkelijkheid echter niet volledig. De wetten van Maxwell bijvoorbeeld maken elektromagnetische golven mogelijk maar impliceren daarom nog geen moderne telecommunicatietechnieken. De fundamentele natuurwetten laten nog ruimte voor emergent gedrag en voor de creatieve ontplooiing van de werkelijkheid. Deze ruimte wordt ingeperkt door de voorwaarden die het globale kader oplegt. Het globale kader houdt ook preferenties in, legt een oriëntatie op aan het evolutieproces. Evoluties die niet aan de eisen van de totaliteit beantwoorden hebben geen blijvend karakter. Zeker op aarde kan men de ontwikkeling van steeds grootschaliger en complexer wordende structuren met een toenemende organisatiegraad niet negeren. Dit proces gaat gepaard met mislukkingen maar begint steeds opnieuw. Denk hierbij o.m. aan de globalisatie van de economie en de toenemende verwevenheid van de moderne wereld. Het leven organiseert zich op alle mogelijke manieren en zoekt de meest efficiënte wegen om zich te handhaven. Alhoewel al de mogelijkheden afgetast worden blijken er toch "beddingen in het (energie-) landschap" te bestaan die de ontwikkelingen in een bepaalde richting stuwen. Men kan vaststellen dat bepaald gedrag afgestraft wordt en dat bepaalde mogelijkheden meer succesvol blijken dan andere. Met de lagere harde lagen als substraat ontstaat steeds nieuwe hogere zachte lagen. Dit constructief proces gaat gepaard met een stabilisatie, een verharding van de laagstliggende zachte lagen. Alleen de meest robuuste verbanden weerstaan immers aan de tand des tijds. Gestabiliseerde onderlagen zijn vereist om een ongestoorde ontwikkeling van de hogere lagen mogelijk te maken.

Echte emergentie wordt in de reductionistische georiënteerde exacte wetenschap niet aanvaard. De stelling van Gödel wijst er echter op dat het reductionistische project niet haalbaar en niet houdbaar is. Met een beperkt aantal axioma’s, fundamentele wetten of basisregels is men niet in staat om de werkelijkheid volledig te vatten. Zelfs indien de werkelijkheid theoretisch volledig tot elementaire wetten reduceerbaar is zal de complexiteit zo groot blijken dat men met deze wetten in de hogere lagen niets kan uitrichten. Het aantal te onderzoeken alternatieve mogelijkheden kan bijvoorbeeld zo hoog zijn dat men in de praktijk niet in staat is om de optimale oplossing te vinden. Dit doet zich voor bij problemen met een combinatorisch karakter. Een bedrijfleider heeft geen directe boodschap aan de kwantummechanica. Zelfs wie emergentie niet aanvaardt zal tot een pragmatische benadering verplicht worden die de werkelijkheid als gelaagd ziet en het opduiken van emergente eigenschappen aanneemt. Men dient noodgedwongen gebruik te maken van de globale eigenschappen die zich op ieder niveau aftekenen zonder naar het laagste niveau af te dalen. Het aanvaarden van een constructief proces dat tot het ontstaan van een gelaagde werkelijkheid met emergentie van eigenschappen leidt wijst in de richting van doelgerichtheid.

De exacte wetenschap heeft het eveneens moeilijk met doelgerichtheid en zeker met een externe, niet reductionistisch verklaarbare doelgerichtheid. Bovendien wordt een vooropgesteld plan dat tot het onontkoombaar bereiken van een doel moet leiden afgewezen. Doelgerichtheid betekent in onze visie echter niet dat het gestelde doel in de werkelijkheid scherp gedefinieerd is en ook bereikt zal worden. Het wordt eerder gezien als een intentie, een streven naar, een oriëntatie en een gerichtheid. In deze zin gedraagt een systeem met terugkoppeling zich doelgericht als het de opgelegde norm tracht te bereiken. Op elk van de niveaus van de werkelijkheid kan men terugkoppelingsmechanismen ontdekken die als tegenkoppeling werkzaam zijn en de bestaande organisatiestructuren stabiel houden. Door het meekoppelingseffect zijn ze ook voor het ontstaan van hogere lagen verantwoordelijk. De normen die daarbij nagestreefd worden schijnen telkens van buiten het eigenlijk systeem te komen en van "boven" opgelegd te zijn. Indien men steeds grotere systemen beschouwt en doorredeneert komt men uiteindelijk op het globale kader en op eisen van de totaliteit terecht.

Zelfs wie doelgerichtheid niet als wezenlijk aanvaardt zal niet kunnen ontkennen dat er een merkwaardige afstemming bestaat tussen de doelstellingen van de hogere en de lagere lagen. De doelstellingen van de verschillende delen van organisatiestructuren schijnen zich in te passen in de doelstellingen van het geheel. Gezien de uitwisseling van energie, materie en /of informatie tussen de organisatiestructuur en haar omgeving is ook een zekere afstemming tussen de interne en externe doelstellingen vereist zodanig dat de wederzijdse "belangen" gediend worden. De eisen van de totaliteit kunnen als de belangen van het globale kader beschouwd worden. Een complexe organisatiestructuur vereist het voortbestaan van haar delen om haar eigen voorbestaan te garanderen. Omgekeerd blijken ook de delen voor hun overleven ook sterk afhankelijk te zijn van het succes van het geheel. Zoals de delen zich inschakelen of ingeschakeld worden in het groter geheel, zo integreert het afzonderlijk gedrag zich tot een doelgericht gedragspatroon. Men kan dus een hiërarchie van op elkaar afgestemde doelstellingen onderscheiden die de coherentie in het gedrag van de delen weergeven. De fundamentele vraag die zich stelt is hoe deze coherentie tot stand komt en hoe ze verklaard kan worden.

Structuur, afstemming en coherentie gaat niet samen met willekeur. Zuivere toeval alleen kan het ontstaan van structuur niet verklaren. Een kansspel bijvoorbeeld combineert toeval met regels die het spel boeiend maken en o.m. bepalen wie wint en wie verliest. Deze criteria zijn zo gekozen dat er aanvaardbare kans op winst ontstaat die de spelers tot spelen aanzet. Een constructief gebeuren vereist enige mate van afstemming en samenwerking. Dit is slechts mogelijk indien er een oriëntatie, een gerichtheid speelt. Toeval kan slechts productief zijn als er een aanleg en preferentie bestaat. Een toevallige ontmoeting tussen twee jonge mensen is nog geen sluitende verklaring voor een huwelijk. Er dient ook een zekere affiniteit en een verlangen naar een stabiele relatie te bestaan. De elementaire wetten bieden de mogelijkheidsvoorwaarden voor doelgericht gedrag maar kunnen o.i. het ontstaan van doelgerichte systemen niet volledig verklaren. Men dient een beroep te doen op de eisen die het algemeen kader oplegt aan de organisatiestructuren die er deel van uitmaken. In de totaliteit blijken economische regels te spelen en geldt een efficiëntiecriterium. De organisatiestructuren die in een ongastvrije, competitieve en zelfs vijandige omgeving kunnen overleven blijken zich doelmatiger te gedragen dan degene die verdwenen. Doelgerichte systemen zijn vanuit dit oogpunt het meest succesvol daar hun deelsystemen samenspannen en de beschikbare middelen efficiënter aanwenden om te overleven. De organisatiestructuren die hun middelen onvoldoende gericht inzetten passeren de filter van de harde werkelijkheid niet. Men kan hieruit afleiden dat alleen die organisatiestructuren stand houden welke als doelgerichte systemen opgevat zijn en de overlevingsdoelstellingen als norm vooropstellen.

Naarmate de competitieve druk stijgt, neemt de eis tot een verhoogde efficiëntie en de noodzaak tot een doelgericht optreden toe. In een gesloten kader met beperkte middelen en een groeiende concurrentie evolueren de organisatiestructuren dan ook noodgedwongen naar een grotere coördinatie en verwevenheid. Een gebrek aan samenhang van een organisatiestructuur kan haar voortbestaan in gevaar brengen. Ook een gebrek aan aanpassing, afstemming en evenwicht tussen de organisatiestructuur en haar omgeving kunnen tot vernietigende conflicten leiden. In dit verband kunnen we nog opmerken dat wetenschappelijk onderzoek aangetoond heeft dat coöperatieve strategieën uiteindelijk meestal succesvoller blijken te zijn dan strategieën die alleen confrontatie beogen. Om de ondergang van organisatiestructuren omwille van interne of externe oorzaken te vermijden is een zekere mate van coherentie vereist die als het gevolg van het efficiëntiecriterium en de daarmee samengaande overlevingsdoelstellingen beschouwd kan worden. Merk op dat doelgerichtheid in een zeer dynamische wereld niet kan samengaan met een starre rigiditeit en een bepaalde vorm van flexibiliteit en diversiteit niet mag uitsluiten. Flexibiliteit is noodzakelijk om zich soepel aan veranderende omstandigheden te kunnen aanpassen. Door diversiteit worden de mogelijkheden die de werkelijkheid biedt afgetast en kan de ontwikkeling in een andere richting verder gaan als bepaalde wegen afgesloten blijken. Men kan de evolutie dan ook zien als een vertakte boom waarvan de takken naar boven gericht zijn. De levende takken beschikken over de nodige "kracht" om naar een hoger niveau door te groeien.

Het globale kader met zijn eis tot efficiënte organisatie duwt de evolutie dus in de richting van een toenemende organisatiegraad. Dit leidt tot het verschijnen van emergente eigenschappen die de complexer wordende organisatiestructuren competitieve voordelen bieden. Door een steeds vindingrijker wordend gedrag slagen de organisatiestructuren erin hun kans op overleven te vergroten zelfs in de meest barre omstandigheden. Organisatiestructuren die niet aan het efficiëntiecriterium voldoen overleven niet als individu of als soort. Het efficiëntiecriterium zorgt er dus voor dat de organisatiestructuren in een bepaalde richting evolueren waardoor ze beter bestand zijn tegen allerhande bedreigingen. Indien organisatiestructuren teveel van de lijn afwijken worden ze gepenaliseerd en hebben ze zelfs geen toekomst meer. Het globale kader legt bijgevolg een oriëntatie op die tot een (doel-) gerichte evolutie leidt. De trend naar een toenemende complexiteit, waardoor hogere lagen ontstaan en emergente eigenschappen opduiken is hiervan een duidelijk voorbeeld. Emergentie kan dus gezien worden als de manifestatie van een doelgerichte ontwikkeling die door het globale kader opgelegd wordt.

Op het eerste zicht gaat de ontwikkeling van complexe organisatiestructuren volledig in tegen de tweede hoofdwet van de thermodynamica. De entropiewet sluit echter een plaatselijke toename van orde en de daarmee gepaard gaande afname van entropie niet uit indien deze toestandsverandering in een toename van de totale entropie resulteert. De lokale ontwikkeling van systemen met een toenemende organisatiegraad komt dus in conflict met een algemene tendens die tot verspreiden en degenereren van materie, energie en informatie leidt. Globaal gezien is een ordeloze toestand meest waarschijnlijk volgens de entropiewet. De bestaande organisatiestructuren zijn dan ook voortdurend onderhevig aan afbraak- en ontbindingsverschijnselen. Indien ze onvoldoende bestand zijn tegen deze destructieve invloeden komen ze in een negatieve spiraal terecht die hun voortbestaan in gevaar brengt. In een beperkt kader creëren de eroderende en desintegrerende "krachten" de noodzakelijke ruimte voor vernieuwing. Het conflict tussen de constructieve en destructieve krachten is karakteristiek voor de werkelijkheid. De evolutie heeft aangetoond dat spijts tijdelijke recessies het leven uiteindelijk een uitweg vindt. Voor het individu lijkt de strijd echter uitzichtloos. Hij is gegrepen door het spel van leven en dood met zijn hoopgevende en schrikwekkende perspectieven. Aan de aftakeling en de dood is finaal niet te ontkomen. Betekent sterven ook het einde van elke vorm van bewustzijn? Kan men alleen hopen om via het collectief geheugen aan de vergetelheid te ontsnappen? Bieden de hogere lagen geen ontsnappingsroute om aan de beperkingen van de materiële werkelijkheid te ontkomen en de tijd te overstijgen?

Recapitulerend kunnen we stellen dat het algemeen kader eist dat organisatiestructuren die een duurzaam bestaan kennen zo opgebouwd zijn en zo functioneren dat ze hun voortbestaan op de één of andere manier kunnen nastreven en verdedigen. Om robuust en competitief te zijn moeten ze over feedbackmechanismen beschikken die hun stabiliteit trachten te beschermen en een doorgroei naar beter aan de omgeving aangepaste organisatievormen mogelijk maken. De materiële beperkingen van het kader verplichten hun bovendien de noodzakelijke middelen efficiënt in te zetten. Het efficiëntiecriterium dat met de overlevingsdoelstelling samengaat geeft aan dat organisatiestructuren doelmatig met hun deel van de koek moeten opspringen en voortdurend op zoek dienen te zijn naar een zo gunstig mogelijke positie in het "energielandschap". Het efficiëntiecriterium vereist bijgevolg ook dat het gedrag van de elementen waaruit een organisatiestructuur bestaat een zekere graad van coherentie vertoont en dat het geheel zo samengesteld en gestructureerd is dat het doeltreffend optreedt. Een bepaalde mate van afstemming blijkt eveneens noodzakelijk tussen de organisatiestructuren en hun omgeving. Organisatiestructuren die erin slagen om nieuwe emergente eigenschappen aan te spreken verkrijgen een competitief voordeel. Complexe organisatiestructuren die in staat zijn om beelden of modellen van zichzelf en hun omgeving te vormen blijken bijzonder goed gewapend in de strijd voor het voortbestaan. Dit alles wijst op een zekere oriëntatie, een gerichtheid in de totaliteit. Inderdaad, het algemeen kader met zijn efficiëntiecriterium eist een zekere coherentie in het gedrag van de organisatiestructuren en duwt de evolutie in de richting van een toenemende organisatiegraad. En verfijnder structuur biedt de organisatiestructuren meer zekerheid voor hun toekomst. Het algemeen kader voorziet een groeipad van de harde fysische lagen naar de zachtere immateriële lagen. In deze hogere lagen bestaan spijts materiële beperkingen, ongekende mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen.

Deze redenering verklaart niet alles. Ze is o.m. gebaseerd op de stelling dat de beperkingen van het algemeen kader eigenlijk verantwoordelijk zijn voor de doorgroei naar de hogere lagen van de werkelijkheid. We hanteren in feite een conflictmodel en nemen aan dat de beperkte beschikbaarheid van benodigde middelen tot competitie leidt, de toenemende organisatiegraad een kritische succesfactor is en dat de evolutie hierdoor onvermijdelijk in de richting van een grotere complexiteit geduwd wordt. Complexe organisatiestructuren kunnen zich immers beter verdedigen in de "struggle for life". Hun grotere doeltreffendheid is het gevolg van een betere interne en externe afstemming en het optreden van synergetische effecten. Men kan zich nu afvragen of in een minder harde en competitieve wereld de evolutie eenzelfde opgaande lijn zou vertonen. We denken van wel. In de overlevingsstrategieën die de natuur kent spelen de voortplantingstechnieken een belangrijke rol. Voor succesvolle soorten resulteren ze in een ruime verspreiding van de organismen die hierdoor hun voortbestaan zelfs in zeer moeilijke omstandigheden kunnen garanderen. De meest complexe van deze organisatiestructuren zijn echter ook rusteloos op zoek naar nieuwe ontplooiingsmogelijkheden.

Er blijkt dus in de werkelijkheid een drang tot voortplanting, expansie en exploratie te bestaan die niet alleen tot doel kan hebben om het voortbestaan van de soort te beschermen. Dit streven schijnt ook de mogelijkheden die de natuur biedt tot het uiterste te willen beproeven. De werkelijkheid wordt gekenmerkt door een blijvende onvoldaanheid over het bestaande en een voortdurende zoektocht naar het andere en het nieuwe. In de kunst en de wetenschap vindt men sprekende voorbeelden van dit onverdroten aftasten van de mogelijkheden van de natuur. Er zijn in de werkelijkheid steeds verstorende factoren aanwezig die de geldende evenwichten in gevaar brengen, nieuwe onverwachte ontwikkelingen tot stand brengen en de grenzen verleggen. Sommigen stellen dan ook dat het leven zich aan de rand van de chaos bevindt en dus vrij labiel tussen behoud en vernieuwing balanceert. De opgaande lijn in de werkelijkheid biedt dus naast een ontsnappingsroute voor evoluties die om materiële redenen dreigen vast te lopen ook de mogelijkheid tot een creatieve ontplooiing van het heelal. In de werkelijkheid kan men mechanismen ontdekken die het behoud en het voortbestaan nastreven en verschijnselen die tot verandering en vernieuwing leiden. De natuurwetten moeten zo zijn dat het zijnde bescherming kan vinden en het wordende mogelijk is. Het eerste aspect kan in verband gebracht worden met de overlevingsdoelstellingen en het tweede met doorgroeiobjectieven die aan de organisatiestructuren en de totaliteit waarin ze voorkomen kunnen toegekend worden. Behoud en vernieuwing zijn ingebakken in de werkelijkheid.

5. Doelgerichtheid en zingeving

Uit de vorige punten komt de totaliteit naar voor als een autonoom systeem dat zichzelf volgens bepaalde principes en criteria organiseert. Er werd bijvoorbeeld aangetoond dat de elementaire verbindingsvoorwaarden aan algemene principes i.v.m. invariantie en continuïteit beantwoorden. Bovendien werd een verband gelegd tussen het efficiëntiecriterium en de overlevings- en doorgroeidoelstellingen. Het ganse gebeuren ziet er dan ook uit als een reusachtig spel waarin regels, toeval en doelgerichtheid een rol spelen. De elementaire natuurwetten bepalen de werkelijkheid niet volledig en éénduidig. Ze laten nog een aantal onbepaaldheden bestaan zodat er diverse alternatieven mogelijk blijven waartussen door de selectiecriteria en de tijd een keuze gemaakt wordt. De normen en doelstellingen die met deze criteria samengaan zorgen voor een zekere stabiliteit en geven de evolutie een bepaalde oriëntatie. In de lagere harde lagen komen de normen en de dalen in het "energielandschap" overeen met onwrikbare wetmatigheden. De normen in de hogere zachte lagen zijn minder bindend en kunnen eerder als richtlijnen beschouwd worden. Ze laten immers nog ruimte voor menselijke vrijheid. Het nastreven van de fundamentele normen is echter een vereiste voor het voortbestaan van organisatiestructuren. Individuen en groepen die deze normen niet respecteren worden persoonlijk en /of als soort gestraft. Het negeren van de overlevingsdoelstellingen leidt vroeg of laat tot destructie en zelfdestructie. De kortzichtige en egoïstische ingrepen in de menselijke vruchtbaarheid bijvoorbeeld tasten de vitaliteit en zelfs het voortbestaan van de Westerse wereld en cultuur aan. Er werd reeds op gewezen dat de normen niet alleen het overleven van organisatiestructuren beogen maar ook de exploratie van de mogelijkheden van de totaliteit als streefdoel vooropstellen. De normen sturen de ontwikkelingen in een richting die door de totaliteit aangegeven wordt.

De fundamentele normen hebben te maken met het doelgericht proces dat tot de ontwikkeling en het behoud van complexe structuren leidt en hun ontplooiing in de hogere lagen van de werkelijkheid toelaat. De normen leggen een waardeschaal vast en maken doelmatige keuzes mogelijk. Wat met de normen samengaat is dus als constructief te beschouwen en wordt als positief aanzien, wat tegen de normen ingaat is destructief en wordt als negatief beoordeeld. Het respecteren van de regels die met de normen samengaan wordt als goed aangevoeld, het overtreden ervan als kwaad. De overlevingsdoelstellingen houden in dat het voortbestaan waardevol is en dient nagestreefd te worden. Dit geldt eveneens voor de doorgroeidoelstellingen en het creatief gebeuren waartoe ze aanleiding geven. Aan het fantastische avontuur van de aarde en de mensheid mag de mens geen einde stellen. In deze visie komt het beogen van waarden overeen met het nastreven van de normen die in de totaliteit gelden. Het meewerken aan een waardevol , constructief en doelgericht proces wordt als sterk zingevend ervaren. Taken die tot niets dienen worden als zinloos beschouwd en zijn zeer demotiverend. We leggen dus een verband tussen zingeving en het leveren van een bijdrage aan het grote project van de totaliteit. Zonder project voelt de mens zich nutteloos en heeft zijn leven geen zin. Door zijn zoeken naar zin schakelt hij zich (meestal onbewust) in in het grote gebeuren.

Leo Apostel legt eveneens een verband tussen behouds- en vernieuwingstendensen in de werkelijkheid en zin en waarde. Hij stelt dat zin is, wat aan ons globaal persoonlijk bestaan en /of ons collectief bestaan, een globaal positieve waarde geeft. Waarde omschrijft hij als iets dat tegelijk een verwijzing inhoudt, een oriëntatie vertoont, een appel insluit tot actie en toch ook zichzelf bestendigt en "verdient" te zijn door wat het is. Kenmerkend voor waarde is bijgevolg de eenheid tussen de tezamen optredende behouds- en vernieuwingsaspecten. Ook in de totaliteit is een dergelijke wederzijdse implicatie gerealiseerd. Hieruit leidt Leo Apostel af dat het totale zijn een positieve waarde heeft. Dit geldt ook voor ons bestaan dat deel uitmaakt van het zijn en dat tegelijk in staat is de totaliteit van dat zijn te weerkaatsen. Het positief waardevol zijn van de totaliteit sluit volgens Leo Apostel niet uit dat bepaalde delen ervan een negatieve waarde betekenen. Men mag de tragedie, de pijn en het kwaad niet uit het oog verliezen. Ons waarde-beleven houdt een revolte tegen dat deel van de bestaande werkelijkheid in.

Deze revolte wijst erop dat mens niet alleen met de materiële overlevingsdoelstellingen geconfronteerd wordt. De doorgroei naar de hogere lagen van de werkelijkheid gaat gepaard met het aanvoelen van zachtere waarden. De humane doelstellingen gaan in tegen de harde aspecten van de "struggle for life" met zijn recht van de sterkste en ongeremd egoïsme. De mens kan zich een beeld vormen van de ervaringen van anderen, zich in hun situatie inleven en hun pijn en ellende aanvoelen. Dit roept een reactie tegen mistoestanden op. Hij voelt zich verantwoordelijk voor medemensen die minder succesvol zijn en uit de boot dreigen te vallen. Het efficiëntiecriterium wordt doorbroken en men beschermt onproductieve bejaarden, nutteloze gehandicapten, ongewenste kinderen, hulpbehoevende vreemdelingen... Men streeft naar een rechtvaardige verdeling van goederen en vredevolle oplossing van conflicten. De mens is ook op zoek naar de diepere zin van het leven. Hij stelt zich vragen i.v.m. met de bedoeling van het ganse gebeuren en zijn bestemming als mens. In zijn zoektocht naar het mens en wereld overstijgende keert hij zich af van al het materiële. Het religieus verlangen om zich verbonden te weten met de kosmos of zich aan de Schepper toe te vertrouwen is diep in de mens aanwezig.

In deze gestructureerde visie op de werkelijkheid stellen we zowel een gelaagde organisatie van de materie als van de doelstellingen die nagestreefd worden voorop. De lagere materiële doelstellingen moeten in zekere mate gerealiseerd zijn vooraleer de hogere doelstellingen aan bod kunnen komen. Aandacht voor de humane doelstellingen is een voorafgaandelijke voorwaarde voor het waarmaken van de transcendente doelstellingen. Het is vooral de gevoeligheid voor de humane en transcendente doelstellingen die de mens tot mens maakt. Het nastreven van de hogere doelstellingen is eigen aan de mens die daarmee een zekere graad van autonomie t.o.v. de natuur waarvan hij deel uitmaakt manifesteert. Het negeren van deze doelstellingen leidt onvermijdelijk tot de ontreddering van mens en maatschappij.

Wat is de plaats, rol en taak van de mens in de zich ontvouwende totaliteit? Kan hij een constructieve bijdrage leveren tot dit grootse gebeuren en de ontwikkelingen in een bepaalde richting sturen? Dient hij willoos en onmachtig met de stroom mee te drijven of moet hij zich tegen de "normale" gang van zaken verzetten en zelf zijn koers uitzetten. Hoever kan hij daarbij gaan zonder het natuurlijk evenwicht te sterk te verstoren? Welke keuzes dient hij te maken? Op deze vragen is geen eenvoudig antwoord te geven. Wij zijn er van overtuigd dat de mens een impact kan hebben en positief moet bijdragen tot de uitbouw van een rijker en boeiender wereld. Hij dient een inspanning te leveren om de wereld leefbaarder te maken en dit zonder de leefbaarheid op lange termijn in gevaar te brengen. Daarbij hoort hij zoals een goede rentmeester zorgzaam om te gaan met de aarde. Bovendien moet hij de ingebouwde conflicten milderen en de onzekerheid, pijn en ellende die met de onvermijdelijke transformatie- en mutatieprocessen gepaard gaat verzachten. Zijn ethisch aanvoelen van goed en kwaad kan hierbij als leidraad dienen. We zouden dus samenvattend kunnen stellen dat de mens een zo harmonieus mogelijke samenleving dient na te streven en een constructieve bijdrage hoort te leveren in de creatieve ontvouwing van de totaliteit.

Als autonoom wezen in een wereld met onbepaaldheden die vrije beslissingen mogelijk maken, wordt de mens voortdurend voor keuzes gesteld. Zijn inzicht in het functioneren van de wereld en zijn waardegevoeligheid leiden niet automatisch naar een éénduidig antwoord op de gestelde vragen en garanderen nog geen gunstige afloop. Men moet immers beslissen in complexe, dynamische en onzekere wereld, en dit met onvolledige informatie. Er dienen zich in veel gevallen een groot aantal moeilijk te evalueren en te vergelijken alternatieven aan. De gevolgen van de ingrepen zijn dikwijls niet betrouwbaar te voorspellen en er treden soms onvoorspelbare effecten op die helemaal niet te voorzien zijn. In het ergste geval kunnen goedbedoelde maatregelen volledig negatief uitvallen. Zelfs grondig bestudeerde ingrepen hebben meestal onverwachte neveneffecten. De schadelijke gevolgen van sommige maatregelen worden slechts op lange termijn zichtbaar of onderkent men pas als het te laat is. De mens gedraagt zich als de leerling tovenaar die de gevolgen van zijn daden niet volledig kan inschatten. Met behulp van wetenschap en techniek kan hij enerzijds tal van problemen oplossen maar anderzijds onnoemelijk veel ellende veroorzaken.

Ook de normen bieden niet altijd een eensluidend antwoord op de vragen. Men kan soms voor een dilemma gesteld worden waarbij elke oplossing ongunstig is en men voor de weg van het kleinste kwaad moet kiezen. De overlevings-, humane en transcendente doelstellingen zijn regelmatig in conflict met elkaar en er dient een compromis gezocht te worden om de verschillende eisen met elkaar te verzoenen. De normen spelen bovendien in het spanningsveld tussen o.m. individuele en gemeenschappelijke doelstellingen, belangen van de huidige en toekomstige generaties, respect voor mens en natuur, aandacht voor behoud en vernieuwing. In welke mate moet men zijn eigen welvaart delen met anderen? Dienen we ons leven volledig op te offeren voor de toekomst van onze kinderen?... Deze problemen kunnen geen reden zijn voor besluiteloosheid en passiviteit. In een dynamische wereld houdt immers ook niet beslissen een beslissing in. We pleiten wel voor o.m. een grote omzichtigheid bij ingrepen, het vermijden van maatregelen die tot onomkeerbare situaties leiden, het afwijzen van extreme oplossingen, een keuze voor evenwichtige benaderingen, een voldoende aandacht voor robuustheid en beheersbaarheid, het verminderen van onzekerheid en risico’s, de reductie van overmatige complexiteit en schaalgrootte.

Voor wijze beslissingen dient de mens een beroep te doen op zijn kennis, ervaring, intuïtie en waarde-aanvoelen. Wil men een herhaling van de fouten uit het verleden vermijden dan moet daarbij rekening gehouden worden met de ervaring van vorige generaties. In de oude "grote verhalen" is de zoektocht van de mens naar zijn lotsbestemming weergegeven. Men vindt er een beschrijving van de voortdurende worsteling met de destructieve krachten en het kwaad dat ook in de mens aanwezig is. Bovendien wordt het groeiend inzicht in de positie die de mens hoort in te nemen t.o.v. zijn medemensen, de natuur en het groter geheel waarvan hij deel uitmaakt of de Schepper geschetst. Centraal staan daarbij een liefdevolle relatie en de onthechting van al het tijdelijke en materiële.

In de hier gevolgde redenering gaan we er van uit dat de opdracht, rol en taak van de mens vastgelegd worden door eisen van de totaliteit die een garantie op een verder gaande ontplooiing van de werkelijkheid inhouden. Deze visie wijst op het bestaan van een objectieve moraal waarvan de regels niet ongestraft kunnen overtreden worden. Misdaden roepen weerstanden op en leiden tot reacties die zich tegen de daders ervan keren. Dit terugkoppelingsmechanisme is ook in de natuur aanwezig. Leo Apostel verdedigde een objectieve waarde-ethiek gebaseerd op het intrinsiek waardevol zijn van de wereld en de levende wezens de erin voorkomen. Wat is echter de waarde van de mens indien alles na zijn dood eindigt? Waarom een pijnlijke dood betreuren indien bij het overlijden iedere vorm van bewustzijn verdwijnt en elke ervaring van het lijden weggeveegd wordt? Wat is er nog erg voor een gestorvene? Heeft een gruweldaad nog wel enige betekenis indien er geen enkel spoor van overblijft? Is alleen het verdriet van de nabestaanden van belang? Moeten we de mens alleen sparen omwille van de medemensen die iets om hem geven? Is ethiek uiteindelijk niet gefundeerd op de overtuiging dat de mens meer is dan een louter stoffelijk wezen?

Gelijkaardige vragen stellen zich in verband met zingeving. Is de totaliteit niet meer dan een schitterend vuurwerk dat bewondering oproept maar uiteindelijk tot niets dient? Zit de mens gevangen in een autonoom systeem dat alleen door zichzelf en voor zichzelf bestaat? Is hij verplicht om mee te spelen in een spel zonder enige betekenis en mee te werken aan een project dat geen bedoeling heeft? Kan hij alleen proberen het beste ervan te maken? Is de mens niet meer dan het toevallig bijproduct van een doelloze evolutie? Is het een illusie te denken dat hij gewenst is en een bestemming heeft? Kan een dergelijke uitzichtloze situatie echt zingevend zijn? Het is onze overtuiging dat ook zingeving uiteindelijk gebaseerd is op de hoop dat het grote gebeuren een bedoeling heeft en dat voor de mens een bestemming weggelegd is.

21.12.1998

26.04.2002