logo

You are here

Warning message

Attention! This event has already passed.

Pressure pain algometry in patients with non-specific low back pain

Wednesday, 23 May, 2007 - 18:00
Campus: Brussels Health Campus
Faculty: Physical Education and Physiotherapy
auditorium P. Brouwer
André Farasyn
phd defence

Eind de jaren tachtig is lage rugpijn als syndroom spectaculair gestegen in de westerse geïndustrialiseerde landen. Heden ten dage zijn er per honderd consultaties bij de huisarts ruim drie met rugpijn. Van deze groep komt rugpijn met uitstraling in één been, of beter bekend in de volksmond als “sciatiek” slechts in 2% der gevallen voor. De oorzaak wordt meestal bevestigd door middel van medische beeldvorming en wordt met medicatie en/of een ingreep verholpen. De overige gevallen van “courante” rugpijn kan in ongeveer 80 tot 95% geen specifieke oorzaak gevonden worden (= aspecifieke lage rugpijn of uitsluiting van andere ziektebeelden door de huisarts bevestigd). Dit betekent dat het tot nu toe niet mogelijk is gebleken om in deze groep één of ander onderdeel van de lage wervelkolomstructuren aan te wijzen als dé oorzaak. Goed om weten is dat deze vorm van rugpijn in 80% der gevallen spontaan verdwijnt na 2-3 weken. Deze vorm van rugpijn komt het meest voor in de leeftijdscategorie van 35 tot 55 jaar en is ongeveer gelijk verdeeld tussen mannen en vrouwen. Probleem is dat van de oorspronkelijke groep 5% blijft zitten met chronische lage rugpijn (meer dan 3 maand).

De symptomen zijn typisch:

stijfheid in de rug bij het opstaan 's morgens,

pijn onderaan de rug in bepaalde houdingen met eventuele uitstraling in één of beide benen tot aan de enkel,

beperking in beweeglijkheid in dagdagelijkse taken: bvb. het wandelen is OK maar lopen wordt als pijnlijk & beperkt ervaren; dit is ook geval bij tillen, lang recht staan en/of zitten, reizen edm.

Dat bij lage rugpijn een discusletsel dé boosdoener is bij uitstek, lijkt sterk overdreven. Studies, met gebruik van medische beeldvorming, hebben aangetoond dat discusletsels aanwezig kunnen zijn ter hoogte van de onderste wervels in 42% van volwassen personen die helemaal geen rugklachten hebben en omgekeerd, in 47% der gevallen met rugpijn er absoluut geen discusletsels te bespeuren vallen. Zijn er dan echt geen andere oorzaken? De spieren bijvoorbeeld of de psychosociale achtergrond van de persoon in kwestie? Bij deze laatste veronderstelling blijkt dat fenomenen dat men bij chronische lage rugpijn kan aantreffen zoals slaapstoornissen, depressie en psychosociale beperkingen niet tot de aandoening zelf behoren, maar moeten ze als gevolg en/of als bijkomstig beschouwd worden. Ze zouden reacties op de rugpijn zijn, welke na genezing zullen verdwijnen. Men ziet symptomen al snel als “psychisch”, terwijl feitelijk bewijs voor een dergelijke scherpe bijverschijnselen afwezig is.

Men komt de laatste jaren tot inzicht dat spierschade wellicht aan de basis ligt van dit type van aspecifieke rugklachten. Aanvankelijk kon men dit moeilijk hard maken door elektromyografie (EMG) maar meer en meer is het door verfijnde technologie mogelijk geworden om het verband aan te tonen tussen rugpijn en grotere spiervermoeidheid, tragere reactiesnelheid en slechtere coördinatie van de lange en korte spieren van de romp.

Aan de faculteit Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie van de Vrije Universiteit Brussel werd een uniek onderzoek uitgevoerd werden de pijndrempels door middel van eenvoudige drukmetingen zowel bij patiënten met subacute lage rugpijn als bij gezonde proefpersonen uitgevoerd. Men meet de lokale spiergevoeligheid als een mogelijke mate van “spierweefselschade”. Uit dit onderzoek aan de vakgroep Menselijke Fysiologie blijkt dat alle onderzochte pijndrempelwaarden van rug- en bilspieren duidelijk lager zijn bij de groep patiënten met rugpijn. Het meest opvallend verschil vindt men op het niveau van de onderste spieroverspanning (M. Erector spinae, lumbaal gedeelte zie figuur) en ter hoogte van de grootste bilspier (M. Gluteus maximus).

De resultaten bevestigen deels deze van vroeger onderzoek nl. dat de grootste spiergevoeligheid te vinden is bij patiënten met een subacute aspecifieke lage rugpijn, op het niveau van het middelste deel van de lumbale wervelkolom. Bij deze studie is men tot een belangrijke vaststelling gekomen nl. dat de term “aspecifieke lage rugpijn” in meer dan 70% der gevallen het label “spierweefsel gerelateerde rugpijn” mag opgeplakt worden.

De nieuwe term primaire “myogene lage rugpijn” zou men in het vervolg kunnen gebruiken, aangezien men verdoken bindweefselschade in midden & lage rug- en bilspieren als oorzaak nummer één kan vooropstellen.

Tot hun verrassing stellen de onderzoekers verder vast dat bij dezelfde groep patiënten met rugpijn, wanneer men de gemiddelde resultaten van pijndrempelwaarden vergelijkt tussen de subgroep met de stempel “lichte rugpijn” en de subgroep met “zware rugpijn”, er geen duidelijke verschillen waar te nemen zijn. Dit kan betekenen dat de ene persoon sneller kan klagen dan een andere van rugpijn bij het tillen, zitten edm, maar daarom in principe geen grotere spierschade heeft opgelopen aan de rug- en/of bilstreek. In de toekomst dient de aanpak van myogene lage rugpijn anders te verlopen dan tot hiertoe werd gedaan. Diepe dwarse fricties ter hoogte van het midden en lage rug alsook ter hoogte van de grote bilspieren, laten toe dat het (oude) verharde spierweefsel zich kan herstellen in de oorspronkelijke staat (ideaal bij chronische lage rugpijn). De behandeling is normaal 1 x week x 3 en een laatste behandeling na één maand. Ook preventief dient in de toekomst de aandacht te gaan naar het vermijden, in werkomstandigheden, naar houdingen die de rug- en bilspieren sterk kunnen overbelasten. Niet het gewicht dat men verzet maar de manier van vooroverbuigen, is van belang.